Blog 81 - Prikjes in de ozonlaag

 

De laag ozon (O3) om de aarde absorbeert harde ultraviolette straling van de zon en beschermt de aarde daardoor tegen kosmische straling. In de jaren 80 van de vorige eeuw (dat klinkt nog steeds gek …) maakten wetenschappers zich zorgen over een groot gat in die ozonlaag, boven  Antarctica. Wetenschappers ontdekten dat die onder andere veroorzaakt werd door cfk’s, chloorfluorkoolwaterstoffen. Die werden veel gebruikt in koelkasten, spuitbussen en piepschuim (en worden ook wel freonen genoemd).|

Het was een gat dat drie keer zo groot was als de oppervlakte van de Verenigde Staten.

 

Sceptische wetenschappers
Net als nu in het debat over de effecten van CO2 op het klimaat, waren er toen ook ook wetenschappers die sceptisch waren over de schadelijke werking van cfk’s.

De chemische industrie maakte daar graag gebruik van om op grote schaal bij de politiek te lobbyen vóór het gebruik van cfk’s.


In 1978 kwam er in de VS toch een verbod op spuitbussen met cfk's, maar in de rest van de wereld niet.
De productie en het gebruik van cfk’s werd ook niet verboden.

 

De rol van het toeval
Pas toen de toenmalige president van de Verenigde Staten, Ronald Reagan, huidkanker kreeg, begon hij zich zorgen te maken over het gat in de ozonlaag. Stel dat de bezorgde wetenschappers toch gelijk hadden?

Om het zekere voor het onzekere te nemen, ging hij zich sterk maken voor een internationale overeenkomst over een verbod op de productie en het gebruik van stoffen die de ozonlaag afbreken.

Ook de minister-president van het Verenigd Koninkrijk, Margaret Thatcher – een bondgenoot en goede vriendin van Reagan – erkende het probleem. Ze was namelijk opgeleid als scheikundige en was in staat de redenering van de bezorgde wetenschappers te volgen.

Deze twee conservatieve politici stonden aan de wieg van het VN-Protocol van Montreal, dat in 1987 door 195 wereldleiders werd ondertekend. Het protocol heeft ervoor gezorgd dat de afbraak van de ozonlaag langzamerhand tot stilstand is gekomen en dat deze beschermende laag – pas! – in 2060 waarschijnlijk weer net zo dik zal zijn als vóór 1980.

 

Verband met klimaatverandering
Het Protocol van Montreal heeft ook bijgedragen aan de vermindering van het broeikaseffect. Veel stoffen die de ozonlaag aantasten, zijn namelijk ook broeikasgassen (naast verbindingen als CO2 en methaan).

En zoals bekend, zijn de meeste wetenschappers het erover eens dat broeikasgassen een voorname oorzaak zijn van klimaatverandering op aarde.

 

Domme uitspraken
Sommige politici gaan zo ver in hun streven om klimaatverandering door menselijk toedoen belachelijk te maken, dat ze maar wat zeggen.

“Ach, wie weet er nou het fijne van de oorzaken van deze ingewikkelde processen? Ik zeg maar wat”, schijnen ze te denken. Ze hebben de klok horen luiden, maar weten niet waar de klepel hangt.


Neem nou advocaat en nu ook Tweede Kamerlid Theo Hiddema.

Hij is nog een stukje ouder dan ondergetekende en dus ook iemand die er al lang was in de jaren tachtig. Hij heeft eens iets over de ozonlaag gehoord en ook eens iets over klimaatverandering, is principieel tegen veel overheidsbemoeienis en denkt zijn zegje wel te kunnen doen.


Als hij en minister Van Nieuwenhuis van Infrastructuur en Waterstaat bij Pauw zitten en de minister iets vertelt over plannen om de bodemdaling door droogte tegen te gaan en om water bij extreme regenval op te vangen en vast te houden, bagatelliseert hij het probleem van klimaatverandering met een verwijzing naar het naar zijn mening overdreven belang dat gehecht wordt aan “prikjes in de ozonlaag”.

 

Meneer Hiddema, u en uw partij maken uzelf belachelijk met dit soort domme praat. En uw geklets getuigt bepaald niet van ‘allure’, dat woord dat u zo graag gebruikt.

 

Elsa Groenman-Warmelink
e.warmelink@gmail.com

06-281 284 69

beëdigd tolk-vertaalster Engels
vertaalster Duits-Nederlands

 

Wil je reageren? Zie reactieformulier onderaan deze pagina. Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Thatcher en Reagan

 

Blog 82 – Verkering


Schoonzoons
In het repertoire van de bijna vergeten cabaretier Wim Sonneveld zat vroeger een ‘conference’ met als titel De Jongens. Het verhaal ging over vriendjes en schoonzoons.

http://www.tigch.nl/sonneveld/jongens.htm of https://www.youtube.com/watch?v=taPkaLphBPE

Aan de tekst, geschreven door (de ook bijna vergeten) Simon Carmiggelt, kun je wel merken dat de tijden behoorlijk veranderd zijn.

Kijk/luister maar eens naar de uitsmijter van de conference: 

“Die knul waarmee ze vanmorgen naar het stadhuis gegaan is, dat is geen kwaaie jongen, hoor. Een beetje een sufferd. Hij helpt bij het afwassen!”

Zo wordt er nu natuurlijk niet meer gedacht over mannen die afwassen, alleen al niet omdat (bijna) iedereen een vaatwasmachine heeft.

 

En het begin van de conference luidt:

“M'n dochtertje is vandaag getrouwd en dat vieren we. Ze is pas eenentwintig. Ja, ze trouwen vroeg tegenwoordig.”


Ook dat is volkomen achterhaald. In de eerste plaats haalt geen vader het meer in zijn hoofd zijn 21-jarige dochter een ‘dochtertje’ te noemen en verder trouwen ze helemaal niet vroeg meer tegenwoordig.

De gemiddelde huwelijksleeftijd van vrouwen schijnt nu 34 jaar te zijn; in de jaren 70 was dat ongeveer 23 jaar. Met 34 jaar werd een vrouw echt wel als een oude vrijster beschouwd als ze niet getrouwd was.

En samenlevingscontracten en geregistreerde partnerschappen bestonden nog lang niet.

 

Wat wel hetzelfde gebleven is Carmiggelts constatering “Een opvoeder is een stakker die in het duister tast.” En bij hem slaat dat in het bijzonder op de omgang van dochters met vriendjes:

Maar ja… Harrie gaat, Piet komt. Piet gaat, Kees komt. Kees gaat, Nikkie komt. En allemaal mee-eten! Oh, ik heb wat voedsel verstrekt aan die knapen.”

 

Schoondochters
Bij mij, als moeder van alleen maar zoons, was het ook zo dat de meisjes – de vriendinnetjes - elkaar opvolgden.

Agnes gaat, Bettie komt. Bettie gaat, Christa komt. Christa gaat, Dieuwertje komt, enzovoorts.”


Behalve soms met de kerstdagen heb ik alleen helemaal niet zo veel voedsel aan ze verstrekt. Het is geloof ik nog steeds zo dat het meestal de moeders van de meisjes zijn die voedsel verstrekken aan de vrijers van hun dochters.


Toen mijn zoons ouder werden, hebben hun vriendinnen minstens zo vaak voor huisgenoot W. en mij gekookt als ik voor hen.

 

Cadeaus
In huis kom ik soms dingen tegen die mij door (potentiële) schoondochters cadeau zijn gedaan. Het is altijd leuk om teruggeworpen te worden in de tijd als ik die dingen zie.


Dan heb ik het over het Indiaanse masker en de twee poncho’s die Manuela voor ons meebracht na een vakantie met een zoon in Mexico, het houten bakje met parfumerieartikelen (waar ik allergisch voor ben) van Pamela, het rijstpannetje van Kitty, het tafellaken van Ammerins en de dikke handdoeken van Jozien.


Ongetwijfeld heb ik ook wel bloemen gekregen, maar die herinner ik me niet meer zo. En uiteraard zijn er foto’s van kleinkinderen, meegebracht door Nihal en Christine.

En de kleinkinderen zelf zijn ons geschonken, natuurlijk.

 

Variatie
Er is altijd een grote variatie aan – serieuze en minder serieuze – vriendinnetjes geweest. Ik herinner me van vroeger meisjes van wie de ouders of grootouders uit Korea, Sri Lanka, Indonesië, de Molukken, Venezuela, Zweden, Suriname en Sint Maarten kwamen, maar ook hele blonde types.

Een van die blondines was een struise meid die minstens een kop groter was dan mijn toen 13-jarige zoon Dolf en op voetbal zat. Ik heb nog steeds het beeld voor me dat ze bij ons thuis een trede lager op de trap stond dan Dolf. Dat was nodig, anders stonden ze niet op elkaars ooghoogte.

 

Tegenwoordig zijn de vriendinnen van mijn zoons allemaal blank en blond. En de nieuwste schoondochter, Roos, gaat me binnenkort het mooiste sinterklaascadeau geven dat ik ooit gehad heb, namelijk een nieuwe kleindochter.


Haar naam is voor mij geen verrassing meer, maar hoe ze er precies gaat uitzien natuurlijk wel. En ook welke knapen – om met Wim Sonneveld te spreken – ze later mee naar huis neemt.


Zullen huisgenoot W. en ik die jongens nog meemaken?

 

Elsa Groenman-Warmelink
e.warmelink@gmail.com

06-281 284 69

beëdigd tolk-vertaalster Engels
vertaalster Duits-Nederlands

 

Wil je reageren? Zie reactieformulier onderaan deze pagina. Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

 

Wim Sonneveld

 

Blog 83 – Taalergernissen

 

Tot mijn ongenoegen sluipen er steeds meer anglicismen en andere slordigheden in het Nederlands. Hieronder een kleine selectie.

 

Een van mijn schoondochters zei laatst, toen ik haar vroeg naar de pleister die ze om haar vinger had: “Ik heb mijn vinger gechopt”.
‘Choppen’ is hakken, fijnhakken, in het Engels, dus ik begreep na een korte verwarring wat ze bedoelde, maar waarom gebruikt ze dat vreemde woord?

Dat is net zoiets als iets ‘skippen’. Zeg toch gewoon ‘overslaan’!

 

Een sportverslaggever op de tv vroeg aan Mark van Bommel,  tegenwoordig trainer van PSV, zoiets als:
“Wat vind je ervan dat je voorstaat?”.
Ik volg het voetbal niet op de voet, dus ik dacht dat het aan mij lag dat ik die vraag niet goed begreep, maar Mark van Bommel begreep het ook niet. Na enig heen-en-weergepraat bleek dat de verslaggever had willen zeggen:
Hoe denk je dat je ervoor staat?

Voorstaan’ en hoe de zaken ‘ervoor staan’ zijn twee verschillende dingen.

 

De evenement, de bedrijf, de meisje, de systeem, de feest, de debat. Dit zijn het-woorden!!
Het debat dat …, het bedrijf dat … .

 

Ook overal te horen, nageaapt  van Engelssprekenden: ‘spotters’, in de zin van mensen die iets bekijken.

Als ik dat woord hoor, op de televisie bijvoorbeeld, zet me dat op het verkeerde been. Mij herinnert het woord ‘spotter’ onmiddellijk aan de bijbel, waar het heel iets anders betekent.

Een spotter is iemand die iets of iemand anders bespot.

Welzalig de man die niet wandelt in de raad der goddelozen,
die niet staat op de weg der zondaars,
noch zit in de kring der spotters,
maar aan des Heren wet zijn welgevallen heeft.”

 

De directeur van Shell hoorde ik laatst het woord speelvol gebruiken. Foutje!
Ze spreekt in het dagelijkse leven ongetwijfeld veel Engels en bedoelde speels.

 

“Deze informatie was heel behulpzaam”, zeggen mensen soms. Nee hoor, informatie kan niet behulpzaam zijn, dat kunnen alleen mensen. Informatie is nuttig, of informatie heeft geholpen.

 

En denk je dat er ergens een ‘downside’ aan zit? Dan kun je ook gewoon nadeel zeggen, hoor, of keerzijde.

En een goed Nederlands woord voor core business is kernactiviteit.

 

In de krant las ik vanmorgen: “… een merendeel van de bevolking …”.
Dat moet zijn: het merendeel van de bevolking of de meerderheid van de bevolking.

 

Omdat ik het wat kalmer aan ben gaan doen en we zo gezond mogelijk willen blijven, wandelen huisgenoot W. en ik nogal veel de laatste tijd.

Vanmiddag, tijdens de wandeling, zei huisgenoot:
“Fietsen is eigenlijk leuker dan wandelen, maar niet in dit weer.”

Ook huisgenoot is besmet met de Engelse ziekte. Het moet zijn: “Het is niet zo leuk met dit weer!”.

En mensen raken niet gewond in een auto-ongeluk, maar bij een auto-ongeluk.

 

Wat ik ook steeds vaker hoor is: “Dat hebben we gefaciliteerd.” Gefaciliteerd?
Gewoon mogelijk gemaakt toch?

 

En als laatste, in dit blog tenminste, het gebruik van deze als ‘die’ of ‘hem’ bedoeld wordt.

Op de televisie hoorde ik een reclame voor een of ander apparaat van Huawei. “Pre-order deze nu …”, werd er geschreeuwd.

Belachelijk!

In de eerste plaats het woord ‘pre-order’.

En in de tweede plaats het woord ‘deze’ in deze zin.
In normaal Nederlands zou je zoiets zeggen als:

Bestel hem nu vast!

 

Het lijkt ook wel of het aanwijzend voornaamwoord ‘die’ steeds meer verdwijnt en dat mensen in plaats daarvan ‘deze’ gebruiken. Dan hoor je bijvoorbeeld zeggen:”

“Twee jaar geleden is de Dienst Huppelepup opgericht. Meneer X werkt bij deze dienst.”

 

Dat klinkt mij vreselijk gekunsteld in de oren! Persoonlijk zou ik altijd zeggen: “Meneer X werkt bij die dienst.”

 

Alleen ben ik waarschijnlijk zo langzamerhand een roepende in de woestijn geworden, of een vreemdeling in Jeruzalem in het Nederland waarin het een verademing is als je iemand op de televisie gewoon mooi, soepel Nederlands hoort praten.

 

Elsa Groenman-Warmelink
e.warmelink@gmail.com

06-281 284 69

beëdigd tolk-vertaalster Engels
vertaalster Duits-Nederlands

 

Wil je reageren? Zie reactieformulier onderaan deze pagina. Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

--------------------------------------------

 

Blog 84 – Aan de dood ontsnapt

 

Ikzelf
Als ik in de auto over de snelweg rijd, denk ik nog wel eens aan het ongeluk dat ik op de A32 had een paar jaar geleden, op 21 november 2016. Dat had heel slecht kunnen aflopen.

Ik had verstrikt kunnen raken in de autogordel. Ik had met de auto in het midden van de vaart terecht kunnen komen – in plaats van tegen de wal aan – en zijn verdronken. Ook had ik kunnen proberen toch naar links te sturen en als gevolg daarvan in botsing kunnen komen met de achteropkomende vrachtwagen.

Dat is allemaal niet gebeurd. Zie blog 37.

 

Huisgenoot W
Ook met huisgenoot W. had het slecht kunnen aflopen. In april 1945, toen hij vier jaar was, werd de stad waar hij woonde – Deventer – bevrijd door de Canadezen. Dat had hem fataal kunnen worden, zoals hij 70 jaar later hoorde.


Dat zat zo.
‘Operatie Cannonshot’ was een militaire operatie met als doel de Canadezen over de IJssel te brengen tussen Zutphen en Deventer, richting de Veluwe en Arnhem. De militairen zouden zich verzamelen in Gorssel, binnen schootsafstand van Deventer. De Canadezen moesten dus eerst Deventer van Duitsers zuiveren, anders bestond het gevaar dat de Duitsers de Canadezen allemaal met hun artillerie zouden uitschakelen.

Omdat de Canadezen bang waren dat de jonge Duitse soldaten in Deventer hevig weerstand zouden bieden, hadden ze uit voorzorg de geallieerde luchtmacht om luchtsteun verzocht. De Canadezen wilden vanuit Schalkhaar via de Brinkgreverweg – aan de rand van de stad – en de Swaefkensstraat – een zijstraat van de Brinkgreverweg – naar het stadscentrum optrekken.

In de Swaefkensstraat woonde huisgenoot W met zijn moeder en jongere zusje – zijn vader was krijgsgevangene in Polen. Het huis had uitzicht op een stuk of 10 hooibergen.

Pas in een heel laat stadium bleek er in de Swaefkensstraat geen luchtsteun nodig te zijn; de huizen bleven dus gespaard. Wel kan huisgenoot W zich herinneren dat hij vanuit het huis kleine verticale lichtflitsen zag, snel achter elkaar, en dat als gevolg daarvan de hooibergen tegenover zijn huis in brand vlogen.
 
Achteraf gezien weet hij dat dat lichtspoormilitie moet zijn geweest, afgeschoten vanuit de geallieerde vliegtuigen.

 

Maar in ieder geval ontsprongen hij en zijn familie de dans.

 

Adolf Hitler
Tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn er zeker 4 of 5 aanslagen op Adolf Hitler gepleegd, die hij allemaal heeft overleefd. Er waren plannen voor nog veel meer aanslagen, maar die zijn niet uitgevoerd.


Een enkel voorbeeld van een mislukte aanslag is die door kolonel Henning von Tresckow, in maart 1943. In samenwerking met Fabian von Schlabrendorff wist hij een pakje met vier kleine kleefmijnen met daarin kneedbare explosieven in het vliegtuig te smokkelen waarmee Hitler van Smolensk in Rusland naar Berlijn zou vliegen. De bom werd door Tresckow zo ingepakt dat het geheel op een doos met twee flessen Cointreau leek – zogenaamd een cadeau voor een officier in Berlijn.

De vertragingsontsteker die aangebracht was, moest ervoor zorgen dat de kleefmijnen een half uur na plaatsing zouden ontploffen.

De hoeveelheid springstof in de mijnen was voldoende om het hele vliegtuig in flarden te rijten, maar helaas, door de extreme kou als gevolg van een defecte verwarming ging de bom niet af. De medesamenzweerders in Berlijn, die klaarstonden om een staatsgreep te plegen als het vliegtuig eenmaal was neergestort, konden hun plannen dus niet uitvoeren.

Als de aanslag wel was gelukt, hadden ze veel ellende kunnen voorkomen.

 

Fabian von Schlabrendorff
Een frappant verhaal is ook nog wat er daarna met Schlabrendorff gebeurde. Na een volgende mislukte moordaanslag op Adolf Hitler, op 20 juli 1944,  werd hij gevangengenomen en gemarteld. In februari 1945 moest hij voor de rechter verschijnen (het Volksgerichtshof), maar terwijl hij daar zat, werd de rechtbank getroffen door een Amerikaanse luchtaanval. De rechter werd verbrijzeld onder een balk en kreeg dus niet de gelegenheid de doodstraf tegen Schlabrendorff uit te spreken.

Ook hij ontsnapte dus aan de dood – in de oorlog tenminste.


Von Schlabrendorff werd in mei 1945 uit concentratiekamp Dachau gered en werd later rechter bij het grondwettelijk hof van West-Duitsland. Hij overleed eind jaren 60.

 

YouTube
Kijk ook nog maar even naar  “Extreme geluksvogels”: https://www.youtube.com/watch?v=TnW8Fhjd6E0

 

Elsa Groenman-Warmelink
e.warmelink@gmail.com

06-281 284 69

beëdigd tolk-vertaalster Engels
vertaalster Duits-Nederlands

 

Wil je reageren? Zie reactieformulier onderaan deze pagina. Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

 

Blog 85 - Kerst

 

Op zaterdagmiddag ging ik even naar het centrum. Daar kom ik niet zo vaak, maar ik had wat boodschapjes te doen: kerstkaarten voorzien van kerstpostzegels en ze op de bus doen, een nagelschaartje kopen, een paar warme handschoenen aanschaffen.

 

Er was markt en het was gezellig. Er werd sfeervolle kerstmuziek gedraaid en ik vroeg me af waarom ik niet vaker ging.

Tegelijkertijd kwam de melancholie – hoe veel kerstperiodes had ik nu al niet meegemaakt? Elk jaar maar weer hetzelfde. Hoe vaak nog?

 

Ik dacht aan hoe alles toch ook veranderd was.
Aan vroeger, toen ik klein was – de opwinding over de kleurige, smalle, gedraaide, brandende kaarsjes in de echte kerstboom. Hoe mijn vader ons optilde om ze ons van dichtbij te laten zien. De zinken emmer met water die eronder stond, voor het geval dat …  . De ongeruste blikken van mijn moeder.

 

Ook de magie van elk jaar hetzelfde kerstverhaal, Lucas 2:

En het geschiedde in die dagen dat er een bevel uitging vanwege keizer Augustus dat het gehele rijk moest worden ingeschreven. Deze inschrijving had voor het eerst plaats toen Quirinius het bewind over Syrië voerde. En zij gingen allen op reis om zich te laten inschrijven, ieder naar zijn eigen stad.

Ook Jozef trok op van Galilea, uit de stad Nazareth, naar Judea, naar de stad van David, die Bethlehem heet, omdat hij uit het huis en het geslacht van David was, om zich te laten inschrijven met Maria, zijn ondertrouwde vrouw, die zwanger was. En het geschiedde toen zij daar waren, dat de dagen vervuld werden dat zij baren zou, en zij baarde haar eerstgeboren zoon en wikkelde Hem in doeken en legde Hem in een kribbe, omdat voor hen geen plaats was in de herberg
.”

 

Die tekst werd iedere Kerstmis herhaald en nestelde zich in mijn hoofd. Ik vond het een mooie tekst. Ik werd er stil van.

Het was een stilte die ook te maken had met de ijle melodieën van de kerstliedjes en met de ijle winterlucht. Er ontstond een gevoel van ontzag, van eerbied, voor het onbekende, het onkenbare, religie.

https://www.youtube.com/watch?v=vKvKMgR8H7k

 

De tijd verglijdt
Die magie, de eerbied voor het religieuze, is verdwenen, hoe ik ook geprobeerd heb eraan vast te houden.

Ik denk aan mijn jongste zoon, Louis, die zo op mijn vader lijkt, met zijn vriendelijke gezicht en kalme manier van doen.
En dat mijn kinderen en ik, en huisgenoot W., en zijn kinderen, en onze kleinkinderen, ons best doen elk kerstfeest samen te komen.

Maar de tekst uit Lucas 2 wordt door ons niet meer voorgelezen.

 

Nu
Bij ‘Syrië’ denken we tegenwoordig aan dood, verderf en asielzoekers en bij ‘Nazareth’ aan wrijvingen tussen de verschillende bevolkingsgroepen in Israël.

Niet meer aan keizer Augustus, Quirinius, engelen en herders.

 

Elsa Groenman-Warmelink
e.warmelink@gmail.com

06-281 284 69

beëdigd tolk-vertaalster Engels
vertaalster Duits-Nederlands

 

Wil je reageren? Zie reactieformulier onderaan deze pagina. Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


 

Blog 86 – De perfecte boom

 

Ik las laatst een interview met Beatrice de Graaf – in de Volkskrant, geloof ik.


Ze had het daar over haar onzekerheid:

'Ik heb steeds het gevoel: wat ik doe is het nét niet. En dan heb ik het vooral over de boeken die ik schrijf. Ik vind het verhaal Leaf: by Niggle van Tolkien zo aangrijpend. Het gaat over een getalenteerde kunstenaar die de perfecte boom wil schilderen, maar op zijn sterfbed ondanks zijn geploeter maar één blaadje heeft afgekregen. Eenmaal in de hemel ziet hij die prachtige boom en denkt: maar ik had de boom toch niet afgekregen? Jawel, zegt een stem, al die tijd ben je ermee bezig geweest. Ik vind dat troostrijk en herkenbaar, die drive tot aan je doodsbed en dan het gevoel: wat ik heb bijgedragen is een futiliteit. Ik heb jaren geïnvesteerd in mijn boek Tegen de terreur, maar denk nu: is het wel meeslepend geschreven, is het wel goed genoeg? Bij nader inzien is het maar één blaadje aan de boom.'

 

Beatrice de Graaf is hoogleraar, historica en terrorisme-expert. Niet zomaar iemand dus, maar ze is blijkbaar een perfectionist. Daar zijn er best veel van. Ze heeft het zelf over haar ‘heilige moeten’.


Het verhaal Leaf: by Niggle van Tolkien dat ze aanhaalt laat zien dat je niet perfect hoeft te zijn. Het is niet erg als je maar wat aanmoddert, zolang je maar een goed hart hebt en een passie.

Je kunt niet meer doen dan je best.

 

Ik zocht het verhaal op Internet op en werd meteen meegesleept door Tolkiens taal, net als ik een paar jaar geleden meegesleept werd door zijn boek The Hobbit. Zijn manier van vertellen is zo magisch en vriendelijk-romantisch.


De drie delen van The Lord of the Rings (‘In de ban van de ring’) schijnen nog mooier te zijn, maar aan die boeken ben ik helaas nog niet toegekomen. Ze liggen wel ergens in huis.

 

Leaf by Niggle
Hieronder staat het hele verhaal in het Engels afgedrukt.

Toen ik met dit blog begon, dacht ik dat er geen Nederlandse vertaling van het verhaal was. Daarom ben ik zelf gaan vertalen, per alinea en cursief, maar later bleek dat Daan van der Kaaden, van uitgeverij ’t Vergeten boek uit Veenendaal, nog exemplaren van een vertaling van Sprookjes van Tolkien op voorraad had.

De vertaalster van de verhalen (‘sprookjes’) in dat boek is Willy Wielek-Berg. Haar naam ken ik nog van columns en filmrecensies die ze in de jaren tachtig voor Trouw  heeft geschreven.

Ik heb het boekje gekocht en zag dat zij in haar vertaling een iets andere stijl hanteert dan ik. Ter vergelijking – en vooral voor het gemak – heb ik daarom besloten niet verder te vertalen, maar vanaf de tweede helft van de vierde alinea haar Nederlandse vertaling over te nemen.

Als je een perfectionist bent en ‘eigenlijk geen tijd hebt’, zul je het verhaal waarschijnlijk niet lezen. Er zijn zoveel andere dingen te doen!

Maar als je nu geen tijd hebt, dan kijk je er toch een andere keer naar? De tekst blijft wel staan op deze website.

 

Wat betreft de vertaling: in het Engels is ‘niggle’ een werkwoord dat (o.a.) betekent ‘beuzelen, tutten, mieren, zeuren, knagen, muggenziften; te veel tijd en aandacht geven aan onbelangrijke details’.

Op Internet is een Nederlandstalige Wikipedia-pagina waarop een wat simplistische samenvatting te lezen is van het verhaal van Tolkien. Leaf by Niggle is daar vertaald met ‘Blad van Klein’. Ook Willy Wielek-Berg noemt de hoofdpersoon Klein.

Daarom noem ik Niggle in mijn stukje van de vertaling ook maar Klein.

 

 

John Ronald Reuel Tolkien
Leaf by Niggle
a symbolic story about a small painter

 

© J.R.R.Tolkien, 1964

 

There was once a little man called Niggle, who had a long journey to make. He did not want to go, indeed the whole idea was distasteful to him; but he could not get out of it. He knew he would have to start some time, but he did not hurry with his preparations.

Er was eens een mannetje dat Klein heette. Hij moest een lange reis maken, maar hij wilde niet. Zelfs het denken eraan stond hem tegen, al wist hij dat hij er niet onderuit kon komen. Hij zou een keer moeten beginnen met de voorbereidingen, maar hij maakte geen haast.

 

Niggle was a painter. Not a very successful one, partly because he had many other things to do. Most of these things he thought were a nuisance; but he did them fairly well, when he could not get out of them: which (in his opinion) was far too often. The laws in his country were rather strict. There were other hindrances, too. For one thing, he was sometimes just idle, and did nothing at all. For another, he was kind-hearted, in a way. You know the sort of kind heart: it made him uncomfortable more often than it made him do anything; and even when he did anything, it did not prevent him from grumbling, losing his temper, and swearing (mostly to himself). All the same, it did land him in a good many odd jobs for his neighbour, Mr. Parish, a man with a lame leg. Occasionally he even helped other people from further off, if they came and asked him to. Also, now and again, he remembered his journey, and began to pack a few things in an ineffectual way: at such times he did not paint very much.

Klein was kunstschilder, maar hij had niet erg veel succes. Dat kwam gedeeltelijk doordat hij veel andere dingen te doen had. Het grootste deel daarvan vond hij alleen maar hinderlijk. Toch deed hij ze behoorlijk goed, tenminste als hij er niet onderuit kon. Dat was – vond hij zelf – veel te vaak het geval. Zijn land kende strenge regels en er waren ook andere obstakels. Enerzijds was hij soms gewoon gemakzuchtig en deed hij niets, anderzijds had hij een goed hart – in zekere zin. Je kent dat soort goedhartigheid wel: hij voelde zich er vaker opgelaten door dan dat hij echt iets deed. Zelfs wanneer hij wel in actie kwam, was het niet zo dat hij nooit mopperde, kwaad werd of schold (meestal op zichzelf). Desondanks bracht zijn goede hart hem er vaak toe zijn buurman, meneer Kerspel, met allerlei klusjes te helpen. Meneer Kerspel liep mank. Zo nu en dan hielp hij ook mensen die verder weg woonden, als ze hem dat vroegen. En van tijd tot tijd dacht hij aan zijn reis. Dan begon hij op een inefficiënte manier een paar dingen in te pakken. Hij schilderde niet veel bij die gelegenheden.

 

He had a number of pictures on hand; most of them were too large and ambitious for his skill. He was the sort of painter who can paint leaves better than trees. He used to spend a long time on a single leaf, trying to catch its shape, and its sheen, and the glistening of dewdrops on its edges. Yet he wanted to paint a whole tree, with all of its leaves in the same style, and all of them different.

Er waren altijd een paar schilderijen tegelijk waar hij mee bezig was; de meeste waren te groot en te moeilijk voor hem. Hij was het type schilder dat beter is in het schilderen van bladeren dan van bomen. Vaak was hij lang bezig van één enkel blad de juiste vorm te pakken te krijgen, en de glans, en de schittering van dauwdruppels aan de randen. Toch wilde hij een hele boom schilderen, met de bladeren allemaal in dezelfde stijl en toch verschillend.

 

There was one picture in particular which bothered him. It had begun with a leaf caught in the wind, and it became a tree; and the tree grew, sending out innumerable branches, and thrusting out the most fantastic roots. Strange birds came and settled on the twigs and had to be attended to. Then all round the Tree, and behind it, through the gaps in the leaves and boughs, a country began to open out; and there were glimpses of a forest marching over the land, and of mountains tipped with snow. Niggle lost interest in his other pictures; or else he took them and tacked them on to the edges of his great picture. Soon the canvas became so large that he had to get a ladder; and he ran up and down it, putting in a touch here, and rubbing out a patch there. When people came to call, he seemed polite enough, though he fiddled a little with the pencils on his desk. He listened to what they said, but underneath he was thinking all the time about his big canvas, in the tall shed that had been built for it out in his garden (on a plot where once he had grown potatoes).

Er was één schilderij waar hij vooral mee in zijn maag zat. Het was begonnen met een blad in de wind en het werd een boom; en de boom groeide, kreeg ontelbare takken en sloeg zijn grillige wortels uit. Zeldzame vogels nestelden zich in de twijgen en vroegen zijn aandacht. Toen ontvouwde zich om de hele Boom heen, en erachter, door de holtes tussen de bladeren en takken heen, een land; en je kon zo nu en dan een glimp opvangen van een woud dat zich over het land verspreidde, en van bergtoppen bedekt met sneeuw.

----------------------------------------------------

Klein verloor zijn belangstelling voor zijn andere schilderijen, soms bevestigde hij ze in een hoek van zijn grote schilderij. Al gauw werd het doek zo hoog en breed dat hij een ladder nodig had. Hij holde die ladder op en af, nu eens bracht hij een klodder verf aan, dan weer veegde hij een stukje van het schilderij schoon. Als er mensen op bezoek kwamen was hij heel beleefd, hij speelde alleen een beetje zenuwachtig met de penseeltjes op zijn bureau. Hij luisterde naar ze, maar eigenlijk dacht hij aldoor aan het grote doek in de grote schuur die hij in zijn tuin ervoor had gebouwd (op een stuk land waar hij vroeger aardappels had verbouwd).

 

He could not get rid of his kind heart. "I wish I was more strong-minded!" he sometimes said to himself, meaning that he wished other people's troubles did not make him feel uncomfortable. But for a long time he was not seriously perturbed. "At any rate, I shall get this one picture done, my real picture, before I have to go on that wretched journey," he used to say. Yet he was beginning to see that he could not put off his start indefinitely. The picture would have to stop just growing and get finished.

Hij kon zijn goede hart maar niet kwijtraken. ‘Ik wou dat ik sterker was!’, zei hij soms tegen zichzelf en daar bedoelde hij dan mee: ‘Ik wou dat ik me de zorgen van andere mensen niet zo aantrok!’ Maar lange tijd was hij niet echt ongerust. ‘In elk geval wil ik dit schilderij af hebben, mijn echte schilderij, voor ik die walgelijke reis ga maken’, placht hij te zeggen. Maar hij begon in te zien dat hij zijn vertrek niet voor onbepaalde tijd kon uitstellen. Het schilderij moest gewoon ophouden met groeien en afkomen.

 

One day, Niggle stood a little way off from his picture and considered it with unusual attention and detachment. He could not make up his mind what he thought about it, and wished he had some friend who would tell him what to think. Actually it seemed to him wholly unsatisfactory, and yet very lovely, the only really beautiful picture in the world. What he would have liked at that moment would have been to see himself walk in, and slap him on the back, and say (with obvious sincerity): "Absolutely magnificent! I see exactly what you are getting at. Do get on with it, and don't bother about anything else! We will arrange for a public pension, so that you need not."

Op zekere dag ging Klein een klein eindje van zijn schilderij af staan en keek ernaar met ongewone aandacht en objectiviteit. Hij kon het maar niet met zichzelf eens worden wat hij ervan dacht. En  hij wenste dat hij een vriend had die hem kon vertellen wat hij moest denken. Eigenijk vond hij het volstrekt onbevredigend en prachtig tegelijk, het enige werkelijk mooie schilderij op de wereld. Op dat ogenblik zou hij heel graag gewild hebben dat hijzelf binnen zou komen stappen, de Klein voor het doek op de rug zou kloppen en zou zeggen, eerlijk gemeend: ‘Magnifiek! Magnifiek! Ik zie precies wat je bedoelt! Ga er alsjeblieft mee door en trek je nergens iets van aan. Trouwens, dat hoef je ook niet, want wij zullen ervoor zorgen dat je een staatstoelage krijgt.’

 

However, there was no public pension. And one thing he could see: it would need some concentration, some work, hard uninterrupted work, to finish the picture, even at its present size. He rolled up his sleeves, and began to concentrate. He tried for several days not to bother about other things. But there came a tremendous crop of interruptions. Things went wrong in his house; he had to go and serve on a jury in the town; a distant friend fell ill; Mr. Parish was laid up with lumbago; and visitors kept on coming. It was springtime, and they wanted a free tea in the country: Niggle lived in a pleasant little house, miles away from the town. He cursed them in his heart, but he could not deny that he had invited them himself, away back in the winter, when he had not thought it an "interruption" to visit the shops and have tea with acquaintances in the town. He tried to harden his heart; but it was not a success. There were many things that he had not the face to say no to, whether he thought them duties or not; and there were some things he was compelled to do, whatever he thought. Some of his visitors hinted that his garden was rather neglected, and that he might get a visit from an Inspector. Very few of them knew about his picture, of course; but if they had known, it would not have made much difference. I doubt if they would have thought that it mattered much. I dare say it was not really a very good picture, though it may have had some good passages. The Tree, at any rate, was curious. Quite unique in its way. So was Niggle; though he was also a very ordinary and rather silly little man.

Maar er kwam geen staatstoelage. En één ding zag hij in: er was concentratie nodig, er moest gewerkt worden, hard, ononderbroken gewerkt worden om het schilderij af te maken, zelfs al zou het niet groter worden dan het al was. Hij stroopte zijn mouwen op en begon zich te concentreren. Hij probeerde dagenlang zich verder niets van aan te trekken. Maar er kwam verschrikkelijk veel tussen. Er ging van alles mis in zijn huis; hij moest naar de stad omdat hij gekozen was als jurylid; een verre vriend werd ziek; mijnheer Karspel moest naar bed met jicht, en er kwamen almaar mensen op bezoek. Het was voorjaar en zij wilden gratis thee drinken op het platteland. Klein woonde in een aardig huisje, kilometers ver van de grote stad. Hij vervloekte hen in zijn hart, maar hij kon niet ontkennen dat hij ze zelf had uitgenodigd, lang geleden in de winter, toen hij niet vond dat hij ‘opgehouden’ werd als hij ging winkelen en theedrinken met kennissen in de stad. Hij probeerde minder weekhartig te zijn, maar het lukte niet. Er waren veel dingen waartegen hij niet de moed had “nee” te zeggen, of hij ze nu als zijn plicht beschouwde of niet, en er waren sommige dingen die hij gedwongen was te doen, hoe hij er ook over mocht denken. Een paar bezoekers gaven hem te verstaan dat zijn tuin nogal verwaarloosd was en dat hij wel eens een Inspecteur op zijn dak kon krijgen. Slechts heel weinigen wisten van zijn schilderij, natuurlijk, maar het zou niet veel verschil hebben gemaakt als zij het wel geweten hadden. Ik betwijfel of zij het belangrijk zouden hebben gevonden. Ik moet zeggen dat het geen erg goed schilderij was, hoewel er misschien goede gedeelten in zaten. De Boom was in elk geval vreemd. Op zijn eigen wijze uniek. Dat was Klein ook, maar hij was tegelijkertijd een heel gewoon, een beetje onnozel mannetje.

 

At length Niggle's time became really precious. His acquaintances in the distant town began to remember that the little man had got to make a troublesome journey, and some began to calculate how long at the latest he could put off starting. They wondered who would take his house, and if the garden would be better kept.

Ten slotte werd Kleins tijd inderdaad kostbaar. Zijn kennissen in de vere stad begonnen zich te herinneren dat het mannetje een moeilijke reis moest maken en sommigen gingen zich afvragen hoe lang hij het vertrek zou weten uit te stellen. Zij vroegen zich af wie er in het huis zou gaan wonen en of de tuin dan beter verzorgd zou worden.

 

The autumn came, very wet and windy. The little painter was in his shed. He was up on the ladder, trying to catch the gleam of the westering sun on the peak of a snow-mountain, which he had glimpsed just to the left of the leafy tip of one of the Tree's branches. He knew that he would have to be leaving soon: perhaps early next year. He could only just get the picture finished, and only so so, at that: there were some comers where he would not have time now to do more than hint at what he wanted.

Het najaar kwam, erg nat en windering. De kleine schilder was in zijn schuur. Hij stond bovenop de ladder en probeerde de fonkeling te vangen van de dalende zon op de top van een sneeuwberg, waarvan hij een glimp had opgevangen ter linkerzijde van het dikbebladerde uiteinde van een der takken van de Boom. Hij wist dat hij gauw zou moeten vertrekken, misschien in het begin van het volgende jaar. Hij kon het schilderij net afmaken en dan nog maar zo zo: er waren een paar hoeken waarin hij alleen maar zou kunnen aangeven wat hem voor ogen stond.

 

There was a knock on the door. "Come in!" he said sharply, and climbed down the ladder. He stood on the floor twiddling his brush. It was his neighbour, Parish: his only real neighbour, all other folk lived a long way off. Still, he did not like the man very much: partly because he was so often in trouble and in need of help; and also because he did not care about painting, but was very critical about gardening. When Parish looked at Niggle's garden (which was often) he saw mostly weeds; and when he looked at Niggle's pictures (which was seldom) he saw only green and grey patches and black lines, which seemed to him nonsensical. He did not mind mentioning the weeds (a neighbourly duty), but he refrained from giving any opinion of the pictures. He thought this was very kind, and he did not realize that, even if it was kind, it was not kind enough. Help with the weeds (and perhaps praise for the pictures) would have been better.

Er werd op de deur geklopt. ‘Kom binnen!’, zei hij scherp, en hij klom van de ladder. Hij stond op de grond met zijn penseel te zwaaien. Het was zijn buurman, Karspel. Zijn enige buurman, alle andere mensen woonden een heel eind verder. Maar hij mocht die man niet erg, ten dele omdat hij zo vaak in moeilijkheden zat en dan hulp nodig had, en ten dele omdat hij niet van schilderen hield, maar erg netjes was op zijn tuin. Als Karspel naar Kleins tuin keek (en dat deed hij heel vaak), zag hij meestal alleen onkruid, en als hij naar Kleins schilderijen keek (en dat deed hij heel zelden), zag hij alleen maar groene en grijze vlekken en zwarte lijnen, die hij onzinnig vond. Hij praatte wel over het onkruid (dat was burenplicht), maar hij zweeg over de schilderijen. Hij dacht dat het erg aardig van hem was en besefte niet dat het niet aardig genoeg was. Een beetje hulp bij het wieden van het onkruid (en misschien wat prijzende woorden voor de schilderijen) zou beter zijn geweest.

 

"Well, Parish, what is it?" said Niggle.

‘En Karspel, wat is er?’ vroeg Klein.

 

"I oughtn't to interrupt you, I know," said Parish (without a glance at the picture). "You are very busy, I'm sure."

‘Ik moet je niet storen, dat weet ik,’ zei Karspel (zonder het schilderij ook maar een blik te gunnen). ‘Je hebt het natuurlijk erg druk.’

 

Niggle had meant to say something like that himself, but he had missed his chance. All he said was: "Yes."

Klein had precies hetzelfde willen zeggen, maar nu kon het niet meer. Hij zei alleen maar: ‘Ja’.

 

"But I have no one else to turn to," said Parish.

‘Maar er is niemand anders tot wie ik me kan wenden,’ zei Karspel.

 

"Quite so," said Niggle with a sigh: one of those sighs that are a private comment, but which are not made quite inaudible. "What can I do for you?"

‘Inderdaad,’zei Klein met een zucht (zo’n zucht die een zwijgend commentaar is, maar toch niet helemaal onhoorbaar). ‘Wat kan ik voor je doen?’

 

"My wife has been ill for some days, and I am getting worried," said Parish. "And the wind has blown half the tiles on my roof, and water is pouring into the bedroom. I think I ought to get the doctor. And the builders, too, only they take so long to come. I was wondering if you had any wood and canvas you could spare, just to patch me up and see me through for a day or two." Now he did look at the picture.

‘Mijn vrouw is al een paar dagen ziek en ik begin me ongerust te maken,’zei Karspel. ‘En de wind heeft de helft van de dakpannen afgewaaid, het lekt in de slaapkamer. Ik denk dat ik de dokter zal moeten halen. En de timmerman ook, maar het duurt zo lang voor die komt. Ik vroeg me af of jij misschien wat hout en linnen zou kunnen missen, dan hou ik het nog wel een paar dagen vol.’ Nu keek hij wel naar het schilderij.

 

"Dear, dear!" said Niggle. "You are unlucky. I hope it is no more than a cold that your wife has got. I'll come round presently, and help you move the patient downstairs."

‘Mensen, mensen!’ zei Klein, ‘Je hebt wel pech. Ik hoop dat je vrouw niet erg ziek is, misschien is het maar een verkoudheid. Ik kom je straks wel even helpen om haar naar beneden te brengen.’

 

"Thank you very much," said Parish, rather coolly. "But it is not a cold, it is a fever. I should not have bothered you for a cold. And my wife is in bed downstairs already. I can't get up and down with trays, not with my leg. But I see you are busy. Sorry to have troubled you. I had rather hoped you might have been able to spare the time to go for the doctor, seeing how I'm placed: and the builder too, if you really have no canvas you can spare."

‘Dank je hartelijk,’ zei Karspel koeltjes. ‘Maar het is geen verkoudheid, ze heeft hoge koorts. Ik zou je niet lastig vallen als het een verkoudheid was. En mijn vrouw ligt al beneden in bed. Ik kan niet steeds maar trappen op en af hollen, met dat been. Maar ik zie dat je het druk hebt. Het spijt me dat ik je heb gestoord. Ik hoopte dat je even tijd zou weten te vinden om naar de dokter te gaan, gezien de situatie waarin ik verkeer, en ook naar de timmerman, als je werkelijk geen stukje linnen over hebt.’

 

"Of course," said Niggle; though other words were in his heart, which at the moment was merely soft without feeling at all kind. "I could go. I'll go, if you are really worried."

‘Natuurlijk,’ zei Klein, hoewel er andere woorden waren in zijn hart, dat op dat ogenblik onvriendelijk gestemd was. ‘Ik zou kunnen gaan. Ik zal wel gaan, als je echt ongerust bent.’

 

"I am worried, very worried. I wish I was not lame," said Parish.

‘Ik ben ongerust, erg ongerust. Ik wou dat ik niet mank was,’ zei Karspel.

 

So Niggle went. You see, it was awkward. Parish was his neighbour, and everyone else a long way off. Niggle had a bicycle, and Parish had not, and could not ride one. Parish had a lame leg, a genuine lame leg which gave him a good deal of pain: that had to be remembered, as well as his sour expression and whining voice. Of course, Niggle had a picture and barely time to finish it. But it seemed that this was a thing that Parish had to reckon with and not Niggle. Parish, however, did not reckon with pictures; and Niggle could not alter that. "Curse it!" he said to him self, as he got out his bicycle.

En Klein ging. Ja, ja, het was moeilijk. Karspel was zijn buurman en alle andere mensen waren zo ver weg. Klein had een fiets en Karspel had geen fiets en kon er ook niet op rijden. Karspel had een mank been, een echt mank been, dat hem veel pijn bezorgde: daar moest je wel aan denken, net zo goed als aan zijn zure gezicht en zijn jammerstem. Klein had natuurlijk een schilderij en nauwelijks de tijd om het af te maken. Maar dat was iets waar Karspel rekening mee zou moeten houden en Klein niet. En Karspel hield geen rekening met schilderijen en daar kon Klein niets aan vreanderen. ‘Vervloekt!’ zei hij tegen zichzelf toen hij op zijn fiets stapte.

 

It was wet and windy, and daylight was waning. "No more work for me today!" thought Niggle, and all the time that he was riding, he was either swearing to himself, or imagining the strokes of his brush on the mountain, and on the spray of leaves beside it, that he had first imagined in the spring. His fingers twitched on the handlebars. Now he was out of the shed, he saw exactly the way in which to treat that shining spray which framed the distant vision of the mountain. But he had a sinking feeling in his heart, a sort of fear that he would never now get a chance to try it out.

Het was nat en winderig en het duister viel. ‘Van werken komt niks meer vandaag!’ dacht Klein en onder het fietsen schold hij in zichzelf of dacht aan de streken van zijn penseel op de berg en op de bladeren ernaast, die hij dat voorjaar voor het eerst had gezien. Zijn vingers tokkelden op het stuur. Nu hij de schuur uit was, zag hij precies hoe hij de glanzende tak die het verre visioen van de berg omlijstte, moest schilderen. Maar hij had een wee gevoel in zijn hart, een soort angst dat hij nu nooit meer de kans zou krijgen het te doen.

 

Niggle found the doctor, and he left a note at the builder's. The office was shut, and the builder had gone home to his fireside. Niggle got soaked to the skin, and caught a chill himself. The doctor did not set out as promptly as Niggle had done. He arrived next day, which was quite convenient for him, as by that time there were two patients to deal with, in neighbouring houses. Niggle was in bed, with a high temperature, and marvellous patterns of leaves and involved branches forming in his head and on the ceiling. It did not comfort him to learn that Mrs. Parish had only had a cold, and was getting up. He turned his face to the wall and buried himself in leaves.

Klein ging naar de dokter en liet een briefje achter bij de timmerman. De zaak was dicht, de timmerman zat thuis bij de warme kachel. Klein werd doornat en verkouden. De dokter ging niet zo vlug op pad als Klein had gedaan. Hij kwam pas de volgende dag, dat was veel gemakkelijker voor hem, want toen kon hij twee patiënten bezoeken, vlak naast elkaar. Klein lag met koorts in bed, prachtige bladpatronen en saamgegroeide takken verschenen in zijn hoofd en op het plafond. Hij putte geen troost uit het blijde nieuws dat mevrouw Karspel alleen maar verkouden was en weer op mocht staan. Hij draaide zijn gezicht naar de muur en kroop onder de bladeren.

 

He remained in bed some time. The wind went on blowing. It took away a good many more of Parish's tiles, and some of Niggle's as well: his own roof began to leak. The builder did not come. Niggle did not care; not for a day or two. Then he crawled out to look for some food (Niggle had no wife). Parish did not come round: the rain had got into his leg and made it ache; and his wife was busy mopping up water, and wondering if "that Mr. Niggle" had forgotten to call at the builder's. Had she seen any chance of borrowing anything useful, she would have sent Parish round, leg or no leg; but she did not, so Niggle was left to himself.

Hij bleef een tijdje in bed. De wind waaide maar door. Er gingen nog heel wat dakpannen van Karspel de lucht in en een paar van Klein ook: zijn eigen dak begon te lekken. De timmerman kwam niet. Het kon Klein niet schelen, een paar dagen lang niet, tenminste. Toen kroop hij zijn bed weer uit om wat eten op te scharrelen (Klein had geen vrouw). Karspel kwam niet: de regen was in zijn been geslagen en hij had pijn en zijn vrouw was almaar aan het dweilen en aan het mopperen dat ‘die meneer Klein’ zeker had vergeten de timmerman te waarschuwen. Als ze kans had gezien iets te lenen, had ze Karspel wel gestuurd, been of geen been. Maar die kans zag ze niet en daarom werd Klein aan zijn lot overgelaten.

 

At the end of a week or so Niggle tottered out to his shed again. He tried to climb the ladder, but it made his head giddy. He sat and looked at the picture, but there were no patterns of leaves or visions of mountains in his mind that day. He could have painted a far-off view of a sandy desert, but he had not the energy.

Na ongeveer een week wankelde Klein weer naar de schuur. Hij probeerde de ladder op te klimmen, maar dat maakte hem duizelig. Hij ging zitten en keek naar zijn schilderij, maar er verschenen die dag geen bladpatronen of bergvisioenen voor zijn geestesoog. Hij zou wel een zandwoestijn in de verte kunnen schilderen, maar hij had er de kracht niet toe.

 

Next day he felt a good deal better. He climbed the ladder, and began to paint. He had just begun to get into it again, when there came a knock on the door.

De volgende dag voelde hij zich een stuk beter. Hij klom op de ladder en begon te schilderen. Hij was net goed bezig toen er op de deur werd geklopt.

 

"Damn!" said Niggle. But he might just as well have said "Come in!" politely, for the door opened all the same. This time a very tall man came in, a total stranger.

‘’Verdomme!’  zei Klein. Maar hij had net zo goed beleefd kunnen zeggen ‘Komt u binnen!’ want de deur ging toch open. Ditmaal kwam er een zeer lange man binnen, een volkomen vreemde.

 

"This is a private studio," said Niggle. "I am busy. Go away!"

‘Dit is mijn atelier!’ zei Klein.‘Ik ben aan het werk! Ga weg!’

 

"I am an Inspector of Houses," said the man, holding up his appointment-card, so that Niggle on his ladder could see it. "Oh!" he said.

‘Ik ben een Inspecteur van Huizen,’ zei de man, en hij stak zijn legitimatiekaart omhoog, zodat Klein op zijn ladder die kon zien. ‘O!’ zei hij.

 

"Your neighbour's house is not satisfactory at all," said the Inspector.

‘Het huis van uw buurman is helemaal niet zoals het behoort te zijn,’ zei de Inspecteur.

 

"I know," said Niggle. "I took a note to the builders a long time ago, but they have never come. Then I have been ill."

‘Dat weet ik,’ zei Klein, ‘ik heb allang een briefje naar de timmerman gebracht, maar hij is niet komen opdagen. En toen ben ik ziek geworden.’

 

"I see," said the Inspector. "But you are not ill now."

‘O juist,’ zei de Inspecteur. ‘Maar nu bent u niet ziek.’

 

"But I'm not a builder. Parish ought to make a complaint to the Town Council, and get help from the Emergency Service."

‘Maar ik ben geen timmerman. Karspel moet een klacht indienen bij het gemeentebestuur en hulp vragen bij de nooddienst.’

 

"They are busy with worse damage than any up here," said the Inspector. "There has been a flood in the valley, and many families are homeless. You should have helped your neighbour to make temporary repairs and prevent the damage from getting more costly to mend than necessary. That is the law. There is plenty of material here: canvas, wood, waterproof paint."

 

Die hebben het druk met heel wat erger dingen dan er hier zijn gebeurd,’ zei de Inspecteur. ‘Er is een overstroming geweest in het dal en een heleboel gezinnen zijn dakloos. U hd uw buurman moeten helpen met de noodvoorzieningen, zodat er niet meer schade werd aangericht dan strikt noodzakelijk was. Zo luidt de wet. Er is hier materiaal genoeg: linnen, hout, waterbestendige verf.’

 

"Where?" asked Niggle indignantly.

‘Waar?’ vroeg Klein verontwaardigd.

 

"There!" said the Inspector, pointing to the picture.

‘Daar!’ zei de Inspecteur en hij wees naar het schilderij.

 

"My picture!" exclaimed Niggle.

‘Mijn schilderij!’ riep Klein.

 

"I dare say it is," said the Inspector. "But houses come first. That is the law."

‘Inderdaad,’ zei de Inspecteur. ‘Maar huizen gaan voor. Zo luidt de wet.’

 

"But I can't . . ." Niggle said no more, for at that moment another man came in. Very much like the Inspector he was, almost his double: tall, dressed all in black.

‘Maar ik kan niet…’ Klein zweeg, want op dat ogenblik kwam er een andere man binnen. Hij leek erg veel op de Inspecteur, hij was bijna zijn dubbelganger: lang en helemaal in het zwart gekleed.

 

"Come along!" he said. "I am the Driver."

‘Kom mee!’ zei hij. ‘Ik ben de Koetsier.’

 

Niggle stumbled down from the ladder. His fever seemed to have come on again, and his head was swimming; he felt cold all over.

Klein wankelde de ladder af. Het leek of de koorts was teruggekomen, het duizelde hem en het koude zweet brak hem uit.

 

"Driver? Driver?" he chattered. "Driver of what?"

‘Koetsier? Koetsier?’ klappertandde hij. ‘Koetsier van wat?’

 

"You, and your carriage," said the man. "The carriage was ordered long ago. It has come at last. It's waiting. You start today on your journey, you know."

‘Van u en uw voertuig,’ zei de man. ‘Het voertuig dat lang geleden is besteld. Eindelijk is het gekomen. Het staat te wachten. Vandaag begint namelijk uw reis.’

 

"There now!" said the Inspector. "You'll have to go; but it's a bad way to start on your journey, leaving your jobs undone. Still, we can at least make some use of this canvas now."

‘Kalm, kalm!’ zei de Inspecteur. ‘U zult moeten gaan, maar het is een slecht begin van een reis als uw werk niet af is. Enfin, we kunnen nu tenminste dit doek gebruiken.’

 

"Oh, dear!" said poor Niggle, beginning to weep. "And it's not, not even finished!"

‘O, o! zei de arme Klein en hij begon te huilen. ‘Het is nog niet eens af!’

 

"Not finished?" said the Driver. "Well, it's finished with, as far as you're concerned, at any rate. Come along!"

‘Niet af?’ zei de Koetsier. ‘Nou, u bent er in elk geval van af. Kom mee!’

 

Niggle went, quite quietly. The Driver gave him no time to pack, saying that he ought to have done that before, and they would miss the train; so all Niggle could do was to grab a little bag in the hall. He found that it contained only a paint-box and a small book of his own sketches: neither food nor clothes. They caught the train all right. Niggle was feeling very tired and sleepy; he was hardly aware of what was going on when they bundled him into his compartment. He did not care much: he had forgotten where he was supposed to be going, or what he was going for. The train ran almost at once into a dark tunnel.

Klein ging heel rustig mee. De Koetsier gunde hem geen tijd om te pakken, hij zei dat hij dat eerder had moeten doen en dat ze de trein zouden missen. Klein kon alleen maar een klein tasje meenemen uit de hal. Hij zag dat er een verfdoos in zat en een klein boekje met zijn eigen schetsen en verder niets. Geen eten en geen kleren. Ze haalden de trein. Klein was erg moe en slaperig, hij besefte nauwelijks wat er gebeurde toen ze hem in zijn coupé duwden. Het kon hem ook niet veel schelen: hij was vergeten waar hij heen moest en waarom hij erheen moest. De trein reed direct daarop een donkere tunnel binnen.

 

Niggle woke up in a very large, dim railway station. A Porter went along the platform shouting, but he was not shouting the name of the place; he was shouting Niggle!

Klein werd wakker op een groot, halfdonker station. Een Kruier liep roepend over het perron, maar hij riep niet de naam van de stad, hij riep ‘Klein!’

 

Niggle got out in a hurry, and found that he had left his little bag behind. He turned back, but the train had gone away.

Klein stapte haastig uit en zag dat hij zijn tasje had vergeten. Hij draaide zich om, maar de trein was al weg.

 

"Ah, there you are!" said the Porter. "This way! What! No luggage? You will have to go to the Workhouse."

Aha, daar bent u!’  zei de Kruier. ‘Deze kant op! Wat? Hebt u geen bagage? Dan zult u naar het Werkhuis moeten.’

 

Niggle felt very ill, and fainted on the platform. They put him in an ambulance and took him to the Workhouse Infirmary.

Klein voelde zich erg ziek en viel flauw op het perron. Ze stopten hem in een ambulance en brachten hem naar de ziekenzaal van het Werkhuis.

 

He did not like the treatment at all. The medicine they gave him was bitter. The officials and attendants were unfriendly, silent, and strict; and he never saw anyone else, except a very severe doctor, who visited him occasionally. It was more like being in a prison than in a hospital. He had to work hard, at stated hours: at digging, carpentry, and painting bare boards all one plain colour. He was never allowed outside, and the windows all looked inwards. They kept him in the dark for hours at a stretch, "to do some thinking," they said. He lost count of time. He did not even begin to feel better, not if that could be judged by whether he felt any pleasure in doing anything. He did not, not even in getting into bed.

De behandeling was helemaal niet naar zijn zin. De medicijnen die ze hem gaven waren bitter. De functionarissen en verplegers waren onvriendelijk, zwijgzaam en erg precies en hij zag nooit iemand anders, behalve een strenge dokter die van tijd tot tijd bij hem kwam. Het leek meer op een gevangenis dan een ziekenhuis. Hij moest hard werken op vaste uren: graven, timmeren en schilderen. Planken schilderen, allemaal in één saaie kleur. Hij mocht nooit naar buiten en de ramen keken uit op een binnenplaats. Ze lieten hem uren lang in het donker zitten ‘om na te denken’, zoals ze zeiden. Hij verloor zijn gevoel voor tijd. Hij voelde zich absoluut niet beter, als dat tenminste kon worden afgemeten aan het plezier dat hij had in de dingen die hij deed. Hij vond niets plezierig, zelfs naar bed gaan niet.

 

At first, during the first century or so (I am merely giving his impressions), he used to worry aimlessly about the past. One thing he kept on repeating to himself, as he lay in the dark: "I wish I had called on Parish the first morning after the high winds began. I meant to. The first loose tiles would have been easy to fix. Then Mrs. Parish might never have caught cold. Then I should not have caught cold either. Then I should have had a week longer." But in time he forgot what it was that he had wanted a week longer for. If he worried at all after that, it was about his jobs in the hospital. He planned them out, thinking how quickly he could stop that board creaking, or rehang that door, or mend that table-leg. Probably he really became rather useful, though no one ever told him so. But that, of course, cannot have been the reason why they kept the poor little man so long. They may have been waiting for him to get better, and judging "better" by some odd medical standard of their own.

In het begin, gedurende de eerste honderd jaar of zowat (ik geef zijn indrukken weer) piekerde hij over zijn verleden. Een ding bleef hij maar herhalen terwijl hij daar in het donker lag: ‘Ik wou dat ik naar Karspel was toegegaan op de eerste dag dat het ging stormen. Ik was het van plan. De eerste losse dakpannen had ik gemakkelijk kunnen maken. Dan had mevrouw Karspel misschien geen kou gevat. En dan had ik ook geen kou gevat. En dan had ik een week langer gehad.’ Maar mettertijd vergat hij waarvoor hij die week langer had willen hebben. Daarna piekerde hij alleen nog maar over zijn baantjes in het ziekenhuis. Hij deelde alles in, hij berekende hoe hij het gekraak van een plank kon verhelpen, of een deur in zijn scharnieren kon hangen, of een tafelpoot maken. Waarschijnlijk werd hij inderdaad nuttig, hoewel niemand dat ooit tegen hem zei. Maar dat kan natuurlijk niet de reden zin geweest waarom ze het arme mannetje daar zo lang hielden. Misschien wachtten ze tot hij beter werd en legden ze voor dat ‘beter worden’ een vreemde, medische maatstaf aan.

 

At any rate, poor Niggle got no pleasure out of life, not what he had been used to call pleasure. He was certainly not amused. But it could not be denied that he began to have a feeling of-well, satisfaction: bread rather than jam. He could take up a task the moment one bell rang, and lay it aside promptly the moment the next one went, all tidy and ready to be continued at the right time. He got through quite a lot in a day, now; he finished small things off neatly. He had no "time of his own" (except alone in his bed-cell), and yet he was becoming master of his time; he began to know just what he could do with it. There was no sense of rush. He was quieter inside now, and at resting-time he could really rest.

Hoe het ook zij, de arme Klein had geen plezier in zijn leven, tenminste niet wat hij plezier placht te noemen. Hij was zeker niet vrolijk. Maar het kon niet ontkend worden dat hij zich…tevreden begon te voelen: maar het hield beslist niet over. Hij was in staat met een karweitje te beginnen zodra er een bel ging en het terzijde te leggen op het ogenblik dat er een andere bel ging, keurig netjes, helemaal klaar om er onmiddellijk mee door te gaan als dat gewenst mocht zijn. Hij deed nu heel wat op een dag, allerlei kleine klusjes knapte hij uitstekend op. Hij had ‘geen tijd voor zichzelf’ (behalve als hij alleen was in zijn slaapcel) en toch werd hij meester van zijn tijd, hij begon te leren wat hij er precies mee kon doen. Er was geen gevoel van onrust, van haast, hij was nu kalmer van binnen en als het rusttijd was, kon hij ook echt rusten.

 

Then suddenly they changed all his hours; they hardly let him go to bed at all; they took him off carpentry altogether and kept him at plain digging, day after day. He took it fairly well. It was a long while before he even began to grope in the back of his mind for the curses that he had practically forgotten. He went on digging, till his back seemed broken, his hands were raw, and he felt that he could not manage another spadeful. Nobody thanked him. But the doctor came and looked at him.

Maar toen veranderden zij plotseling al zijn uren; zij lieten hem nauwelijks meer naar bed gaan; zij lieten hem niet meer timmeren, hij moest graven, dag na dag. Hij hield zich betrekkelijk goed. Het duurde lang voordat hij achterin zijn hoofd ging zoeken naar verwensingen, die hij bijna vergeten was. Hij bleef graven tot zijn rug gebroken leek, zijn handen kapot waren en hij het gevoel had dat hij geen schop meer kon vasthouden. Niemand dankte hem ervoor. Maar de dokter kwam hem opzoeken.

 

"Knock off!" he said. "Complete rest-in the dark."

 ‘Ophouden!’ zei hij. ‘Volledige bedrust… in het donker!’

 

Niggle was lying in the dark, resting completely; so that, as he had not been either feeling or thinking at all, he might have been lying there for hours or for years, as far as he could tell. But now he heard Voices: not voices that he had ever heard before. There seemed to be a Medical Board, or perhaps a Court of Inquiry, going on close at hand, in an adjoining room with the door open, possibly, though he could not see any light.

Klein lag in het donker en hield volledige rust. Hij voelde niet en hij dacht niet, daarom kon hij daar uren of jaren gelegen hebben, hij wist het niet. Maar nu klonken er Stemmen: geen stemmen die hij ooit eerder had gehoor. Er scheen een zitting van de Medische Raad te worden gehouden, of misschien van het Hof van Onderzoek. Vlakbij, waarschijnlijk in de kamer naast de zijne, met de deur open, hoewel hij geen licht zag.

 

"Now the Niggle case," said a Voice, a severe voice, more severe than the doctor's.

Nu de zaak Klein!’ zei een Stem, een strenge stem, strenger dan die van de dokter.

 

"What was the matter with him?" said a Second Voice, a voice that you might have called gentle, though it was not soft-it was a voice of authority, and sounded at once hopeful and sad. "What was the matter with Niggle? His heart was in the right place."

‘Wat was er met hem aan de hand?’ zei een Tweede Stem, een stem die je vriendelijk zou kunnen noemen, hoewel hij niet zacht was – het was een stem vol autoriteit, hoopvol en bedroefd tegelijk.
‘Wat was er met Klein aan de hand? Hij droeg het hart op de juiste plaats.’

 

"Yes, but it did not function properly," said the First Voice. "And his head was not screwed on tight enough: he hardly ever thought at all. Look at the time he wasted, not even amusing himself! He never got ready for his journey. He was moderately well-off, and yet he arrived here almost destitute, and had to be put in the paupers' wing. A bad case, I am afraid. I think he should stay some time yet."

‘Ja, maar het functioneerde niet goed,’ zei de Eerste Stem. ‘En met zijn hoofd was het ook niet al te best gesteld: hij dacht eigenlijk nooit. Zie eens hoeveel tijd hij verspilde en hij had er niet eens plezier in! Hij was niet klaar voor zijn reis. Hij was tamelijk welgesteld en toch kwam hij hier met niets aan, we moesten hem in de armenafdeling stoppen. Een ernstig geval, naar ik vrees. Ik vind dat hij nog een tijdje moet blijven.’

 

"It would not do him any harm, perhaps," said the Second Voice. "But, of course, he is only a little man. He was never meant to be anything very much; and he was never very strong. Let us look at the Records. Yes. There are some favourable points, you know."

‘Het zou hem misschien geen kwaad doen,’ zei de Tweede Stem, ‘maar hij is natuurlijk maar een klein mannetje. Het was nooit de bedoeling dat hij belangrijk zou zijn en hij was nooit erg sterk. Laten we de registers eens inzien. Ja. Er zijn inderdaad een paar dingen die voor hem pleiten.’

 

"Perhaps," said the First Voice; "but very few that will really bear examination."

‘Misschien,’ zei de Eerste Stem. ‘doch slechts heel weinig wat een serieus onderzoek kan doorstaan.’

 

"Well," said the Second Voice, "there are these. He was a painter by nature. In a minor way, of course; still, a Leaf by Niggle has a charm of its own. He took a great deal of pains with leaves, just for their own sake. But he never thought that that made him important. There is no note in the Records of his pretending, even to himself, that it excused his neglect of things ordered by the law."

‘Wel,’ zei de Tweede Stem, ‘er is het volgende. Hij was van nature een schilder. Een klein talent, natuurlijk, maar een Blad van Klein heeft toch een eigen, heel speciale charme. Hij besteedde erg veel zorg aan bladeren omdat hij ze belangrijk vond, maar hij dacht nooit dat hij daardoor belangrijk werd. Er is geen enkele aantekening in de Registers dat hij het ooit als verontschuldiging gebruikte voor het verwaarlozen van dingen die de wet voorschreef. Niet tegen anderen en niet tegen zichzelf.’

 

"Then he should not have neglected so many," said the First Voice.

‘Dan had hij er niet zoveel moeten verwaarlozen,’ zei de Eerste Stem.

 

"All the same, he did answer a good many Calls."

‘Maar hij heeft aan vrij veel Oproepen gehoor gegeven.’

 

"A small percentage, mostly of the easier sort, and he called those Interruptions. The Records are full of the word, together with a lot of complaints and silly imprecations."

‘Aan slechts een klein percentage en dan nog voornamelijk de gemakkelijkste. Bovendien zei hij altijd dat hij “opgehouden” werd. De Registers staan vol met dat woord, er wordt ook gewag gemaakt van veel geklaag en dwaze verwensingen.’

 

"True; but they looked like interruptions to him, of course, poor little man. And there is this: he never expected any Return, as so many of his sort call it. There is the Parish case, the one that came in later. He was Niggle's neighbour, never did a stroke for him, and seldom showed any gratitude at all. But there is no note in the Records that Niggle expected Parish's gratitude; he does not seem to have thought about it."

‘Dat is waar, maar hij ervoer het natuurlijk ook als zodanig, het arme mannetje. En dan is er dit: hij verwachtte nooit een Wederdienst, zoals zovelen van zijn soort dat noemen. Daar is het geval Karspel, hij die later is gekomen. Hij was Kleins buurman, deed nooit iets voor hem en toonde slechts zeer zelden enige dankbaarheid. Maar er staat geen aantekening in de Registers dat Klein dankbaarheid van hem verwachtte, hij schijnt er niet eens aan te hebben gedacht.’

 

"Yes, that is a point," said the First Voice; "but rather small. I think you will find Niggle often merely forgot. Things he had to do for Parish he put out of his mind as a nuisance he had done with."

‘Ja, dat is een punt,’ zei de Eerste Stem, ‘maar vrij onbelangrijk. Waarschijnlijk zult u ontdekken dat Klein het vaak gewoon vergat. Dingen die hij voor Karspel moest doen, zette hij uit zijn hoofd omdat hij het vervelend vond eraan te denken.’

 

"Still, there is this last report," said the Second Voice, "that wet bicycle-ride. I rather lay stress on that. It seems plain that this was a genuine sacrifice: Niggle guessed that he was throwing away his last chance with his picture, and he guessed, too, that Parish was worrying unnecessarily."

‘Maar er is het laatste rapport,’ zei de Tweede Stem, ‘het fietstochtje in de regen. Ik vind dat toch belangrijk. Het is kennelijk een echte opoffering. Klein besefte dat hij zijn laatste kans om zijn schilderij af te maken verspeelde en hij besefte ook dat Karspel zich onnodig ongerust maakte.’

 

"I think you put it too strongly," said the First Voice. "But you have the last word. It is your task, of course, to put the best interpretation on the facts. Sometimes they will bear it. What do you propose?"

‘Volgens mij hecht u daar te veel waarde aan,’ zei de Eerste Stem. ‘Maar u hebt het laatste woord. Het is natuurlijk uw taak om de feiten zo gunstig mogelijk te interpreteren. Soms zijn ze dat waard. Wat stelt u voor?’

 

"I think it is a case for a little gentle treatment now," said the Second Voice.

‘Ik geloof dat nu de tijd is gekomen voor een Vriendelijke Behandeling,’zei de Tweede Stem.

 

Niggle thought that he had never heard anything so generous as that Voice. It made Gentle Treatment sound like a load of rich gifts, and the summons to a King's feast. Then suddenly Niggle felt ashamed. To hear that he was considered a case for Gentle Treatment overwhelmed him, and made him blush in the dark. It was like being publicly praised, when you and all the audience knew that the praise was not deserved. Niggle hid his blushes in the rough blanket.

Klein dacht dat hij nog nooit iets had gehoord wat zo edel was als die Stem. Vriendelijke Behandeling klonk als een wagonlading kostbare geschenken, als een uitnodiging om te gast te zijn op het feest van de Koning. En plotseling was Klein beschaamd. Het feit dat hij geschikt werd bevonden voor een Vriendelijke Behandeling overweldigde hem, hij bloosde in het donker. Het was net alsof hij in het openbaar werd geprezen, terwijl hijzelf en alle aanwezigen wisten dat hij het niet had verdiend. Klein verborg zijn blos in de ruwe deken.

 

There was a silence. Then the First Voice spoke to Niggle, quite close. "You have been listening," it said.

Er viel een stilte. Toen sprak de Eerste Stem tot Klein, heel dichtbij. ‘U hebt geluisterd,’ zei de Eerste Stem.

 

"Yes," said Niggle.

‘Ja,’ zei Klein.

 

"Well, what have you to say?"

‘En wat heeft u te zeggen?’

 

"Could you tell me about Parish?" said Niggle. "I should like to see him again. I hope he is not very ill? Can you cure his leg? It used to give him a wretched time. And please don't worry about him and me. He was a very good neighbour, and let me have excellent potatoes very cheap, which saved me a lot of time."

‘Kunt u me iets vertellen over Karspel?’ vroeg Klein. ‘Ik zou hem graag weer eens zien. Ik hoop dat hij niet ernstig ziek is. Kunt u zijn been genezen? Het deed hem erg veel pijn. En u moet u niet ongerust maken over hem en mij, alstublieft. Hij was een erg goede buurman, hij bezorgde me uitstekende aardappels voor weinig geld, daarmee heb ik heel wat tijd gewonnen.’

 

"Did he?" said the First Voice. "I am glad to hear."

‘O ja?’ zei de Eerste Stem. ‘Ik ben blij dat te horen.’

 

There was another silence. Niggle heard the Voices receding. "Well, I agree," he heard the First Voice say in the distance. "Let him go on to the next stage. Tomorrow, if you like."

Er viel weer een stilte. Klein hoorde de Stemmen wegsterven. ‘Ik ben het met u eens,’ hoorde hij de Eerste Stem in de verte zegen. ‘Laat hem de volgende fase binnentreden. Morgen, als u daar prijs op stelt.’

 

Niggle woke up to find that his blinds were drawn, and his little cell was full of sunshine. He got up, and found that some comfortable clothes had been put out for him, not hospital uniform. After breakfast the doctor treated his sore hands, putting some salve on them that healed them at once. He gave Niggle some good advice, and a bottle of tonic (in case he needed it). In the middle of the morning they gave Niggle a biscuit and a glass of wine; and then they gave him a ticket.

Toen Klein wakker werd, zag hij dat de jaloezieën waren opgetrokken. Zonlicht overstroomde zijn kleine cel. Hij stond op en ontdekte dat er gemakkelijke kleren voor hem klaar lagen in plaats van de ziekenhuiskledij. Na het ontbijt verzorgde de dokter zijn pijnlijke handen, hij smeerde er zalf op waardoor ze onmiddellijk genazen. Hij gaf Klein goede raad en een fles versterkende drank (voor het geval hij die nodig mocht hebben). Een paar uur later kreeg Klein een glas wijn met een beschuitje en daarna gaven ze hem een kaartje.

 

"You can go to the railway station now," said the doctor. "The Porter will look after you. Good-bye."

 ‘U kunt nu naar het station gaan,’ zei de dokter. ‘De Kruier zal wel voor u zorgen. Adieu.’

 

Niggle slipped out of the main door, and blinked a little. The sun was very bright. Also he had expected to walk out into a large town, to match the size of the station; but he did not. He was on the top of a hill, green, bare, swept by a keen invigorating wind. Nobody else was about. Away down under the hill he could see the roof of the station shining.

Klein glipte de voordeur uit en knipperde een beetje tegen het licht. De zon was erg fel. Hij had gedacht dat hij een grote stad zou zien, passend bij het grote station, maar dat was niet zo. Hij stond op de top van een heuvel, groen, leeg, schoongeveegd door een sterke, frisse wind. Er was verder geen mens. Ver beneden schitterde het dak van het station.

 

He walked downhill to the station briskly, but without hurry. The Porter spotted him at once.

Hij liep met stevige pas, maar zonder haast, de heuvel af naar het station. De Kruier zag hem meteen.

 

"This way!" he said, and led Niggle to a bay, in which there was a very pleasant little local train standing: one coach, and a small engine, both very bright, clean, and newly painted. It looked as if this was their first run. Even the track that lay in front of the engine looked new: the rails shone, the chairs were painted green, and the sleepers gave off a delicious smell of fresh tar in the warm sunshine. The coach was empty.

‘Deze kant op!’ zei hij en hij bracht Klein naar een zijspoor waar een aardig boemeltreintje stond: een coupé met een klein locomotiefje, allebei heel schoon en licht en pas geverfd. Het leek wel alsof dit hun eerste reis was. Zelfs het baanvak voor de locomotief zag er nieuw uit: de rails glommen, de railsteunen waren groen geverfd en de dwarsliggers roken heerlijk naar verse teer in de warme zonneschijn. De coupé was leeg.

 

"Where does this train go, Porter?" asked Niggle.

Waar gaat deze trein naar toe, Kruier?’ vroeg Klein.

 

"I don't think they have fixed its name yet," said the Porter. "But you'll find it all right." He shut the door.

‘Ik geloof niet dat zij er al een naam voor hebben,’ zei de Kruier. ‘Maar u komt er wel.’ En hij sloot de deur.

 

The train moved off at once. Niggle lay back in his seat. The little engine puffed along in a deep cutting with high green banks, roofed with blue sky. It did not seem very long before the engine gave a whistle, the brakes were put on, and the train stopped. There was no station, and no signboard, only a flight of steps up the green embankment. At the top of the steps there was a wicket-gate in a trim hedge. By the gate stood his bicycle; at least, it looked like his, and there was a yellow label tied to the bars with niggle written on it in large black letters.

De trein vertrok meteen. Klein lag achterover op de bank. Het kleine locomotiefje pruttelde door een holle weg met hoge, groen spoordijken en de blauwe hemel als dak. Na vrij korte tijd begon de locomotief te fluiten, de remmen werden aangezet en de trein stopte.
Er was geen station en geen wegwijzer, alleen een paar treden tegen de groene spoordijk op. Bovenop de dijk was een hekje in een keurige heg. Naast het hekje stond zijn fiets, hij leek er tenminste precies op, en aan het stuur hing een gele label waarop met grote zwarte letters Klein stond.

 

Niggle pushed open the gate, jumped on the bicycle, and went bowling downhill in the spring sunshine. Before long he found that the path on which he had started had disappeared, and the bicycle was rolling along over a marvellous turf. It was green and close; and yet he could see every blade distinctly. He seemed to remember having seen or dreamed of that sweep of grass somewhere or other. The curves of the land were familiar somehow. Yes: the ground was becoming level, as it should, and now, of course, it was beginning to rise again. A great green shadow came between him and the sun. Niggle looked up, and fell off his bicycle.

Klein duwde het hekje open, sprong op de fiets en vloog naar beneden in de voorjaarszon. Even later zag hij dat het pad waarop hij zijn rit begonnen was verdwenen, zijn fiets reed over een schitterend gazon. Het was groen en kort en toch kon hij elk blaadje afzonderlijk onderscheiden. Hij meende zich te herinneren dat hij die grasvlakte eens ergens had gezien of ervan had gedroomd. De glooiingen van het land waren hem om de een of andere reden vertrouwd. Ja, de bodem werd vlak, precies zoals het moest, en nu begon hij natuurlijk weer te stijgen. Een grote, groene schaduw kwam tussen hem en de zon. Klein keek op en viel van zijn fiets.

 

Before him stood the Tree, his Tree, finished. If you could say that of a Tree that was alive, its leaves opening, its branches growing and bending in the wind that Niggle had so often felt or guessed, and had so often failed to catch. He gazed at the Tree, and slowly he lifted his arms and opened them wide.

Voor hem stond de Boom, zijn Boom, klaar, af. Als je dat tenminste kon zeggen van een boom die leefde, met bladeren die zich ontvouwden, met takken die groeiden en bogen in de wind, de wind die Klein zo vaak had gevoeld of vermoed en zo vaak niet had weten te vangen. Hij staarde naar de Boom en langzaam hief hij zijn armen op en opende ze wijd.

 

"It's a gift!" he said. He was referring to his art, and also to the result; but he was using the word quite literally.

‘Het is een gave!’ zei hij. Hij bedoelde zijn kunst en ook het resultaat, maar hij gebruikte het woord letterlijk.

 

He went on looking at the Tree. All the leaves he had ever laboured at were there, as he had imagined them rather than as he had made them; and there were others that had only budded in his mind, and many that might have budded, if only he had had time. Nothing was written on them, they were just exquisite leaves, yet they were dated as clear as a calendar. Some of the most beautiful-and the most characteristic, the most perfect examples of the Niggle style-were seen to have been produced in collaboration with Mr. Parish: there was no other way of putting it.

Hij bleef maar kijken naar de Boom. Alle bladeren waar hij ooit aan had gezwoegd waren er, meer zoals hij ze zich had voorgesteld dan zoals hij ze had gemaakt. En er waren andere die alleen maar in knop hadden bestaan in zijn geest en vele die uitgebot zouden zijn als hij maar genoeg tijd had gehad. Er stond niets op geschreven, het waren alleen maar prachtige bladeren en toch waren zij gedateerd, zo duidelijk als een kalender. Een paar van de mooiste – en de meest karakteristieke, de beste voorbeelden van de stijl-Klein – waren kennelijk ontstaan in samenwerking met meneer Karspel – anders kon je het niet uitdrukken.

 

The birds were building in the Tree. Astonishing birds: how they sang! They were mating, hatching, growing wings, and flying away singing intthe Forest, even while he looked at them. For now he saw that the Forest was there too, opening out on either side, and marching away into the distance. The Mountains were glimmering far away.

De vogels waren aan het bouwen in de boom. Wonderbaarlijke vogels en zij zongen! Ze paarden, broedden, kregen vleugels en vlogen zingend weg het Woud in, allemaal in de korte tijd dat hij naar ze keek. Want nu zag hij dat het Woud er ook was, het opende zich naar beide kanten en rukte op naar de horizon. De bergen fonkelden ver, ver weg.

 

After a time Niggle turned towards the Forest. Not because he was tired of the Tree, but he seemed to have got it all clear in his mind now, and was aware of it, and of its growth, even when he was not looking at it. As he walked away, he discovered an odd thing: the Forest, of course, was a distant Forest, yet he could approach it, even enter it, without its losing that particular charm. He had never before been able to walk into the distance without turning it into mere surroundings. It really added a considerable attraction to walking in the country, because, as you walked, new distances opened out; so that you now had doubled, treble, and quadruple distances, doubly, trebly, and quadruply enchanting. You could go on and on, and have a whole country in a garden, or in a picture (if you preferred to call it that). You could go on and on, but not perhaps for ever. There were the Mountains in the background. They did get nearer, very slowly. They did not seem to belong to the picture, or only as a link to something else, a glimpse through the trees of something different, a further stage: another picture.

Na een tijdje draaide Klein zich om naar het Woud. Niet omdat de Boom hem begon te vervelen, maar omdat die hem nu heel helder voor de geest stond, hij zag hem met alles wat eraan en eromheen groeide, ook als hij er niet naar keek. Toen hij wegliep, ontdekte hij iets vreemds: het Woud was natuurlijk een Woud in de verte, maar hij kon erheen lopen en er zelfs binnengaan zonder dat het de speciale charme van de verte verloor. Het was hem tot die dag nog nooit gelukt de verte in te lopen zonder dat die veranderde in doodgewone omgeving. Het maakte het wandelen buiten veel aantrekkelijker, want terwijl je liep, openden zich nieuwe verten, er waren dubbele, driedubbele en vierdubbele verten,, twee-, drie- en viermaal zo betoverend als gewone verten.
Je kon lopen en lopen en een heel land vinden in een tuin of schilderij (als je het zo beliefde te noemen). Je kon lopen en lopen, maar misschien toch niet voor eeuwig. Op de achtergrond waren de Bergen. Zij kwamen dichterbij, heel langzaam. Zij schenen niet bij het schilderij te horen, of alleen als een schakel met iets anders, een glimp door de bomen van iets anders, een volgende fase: een ander schilderij.

 

Niggle walked about, but he was not merely pottering. He was looking round carefully. The Tree was finished, though not finished with-"Just the other way about to what it used to be," he thought-but in the Forest there were a number of inconclusive regions, that still needed work and thought. Nothing needed altering any longer, nothing was wrong, as far as it had gone, but it needed continuing up to a definite point. Niggle saw the point precisely, in each case.

Klein wandelde rond, maar hij verbeuzelde zijn tijd niet, hij keek heel goed om zich heen. De Boom was af, hoewel hij er niet mee klaar was – ‘net andersom als vroeger’, dacht hij – maar in het Woud waren een aantal onbestemde regionen, waar nog over gedacht en aan gewerkt moest worden. Veranderd hoefde er niets, niets was fout voor zover het af was, maar het moest verder gaan tot een bepaald punt. Klein zag dat punt telkens heel duidelijk.

 

He sat down under a very beautiful distant tree-a variation of the Great Tree, but quite individual, or it would be with a little more attention-and he considered where to begin work, and where to end it, and how much time was required. He could not quite work out his scheme.

Hij ging zitten onder een bijzonder mooie, verre boom – een variatie van de Grote Boom, maar toch helemaal zichzelf (of dat zou hij zijn als hij een beetje meer aandacht kreeg) – en hij overwoog waar hij met het werk moest beginnen en waar hij moest ophouden en hoeveel tijd hij nodig zou hebben. Maar hij kwam er niet helemaal uit.

 

"Of course!" he said. "What I need is Parish. There are lots of things about earth, plants, and trees that he knows and I don't. This place cannot be left just as my private park. I need help and advice: I ought to have got it sooner."

‘Natuurlijk!’ zei hij. ‘Ik heb Karspel nodig. Hij weet een heleboel dingen over aarde, planten en bomen die ik niet weet. Dit stuk land kan  niet mijn privépark blijven. Ik heb hulp en raad nodig: die had ik al eerder moeten hebben.’

 

He got up and walked to the place where he had decided to begin work. He took off his coat. Then, down in a little sheltered hollow hidden from a further view, he saw a man looking round rather bewildered. He was leaning on a spade, but plainly did not know what to do. Niggle hailed him. "Parish!" he called.

Hij stond op en liep naar de plaats waar hij met het werk wilde beginnen. Hij trok zijn jasje uit. En toen zag hij, bijna verborgen in een kleine, beschutte laagte, een man die een beetje verbijsterd om zich heen keek. Hij leunde op een schop, maar wist kennelijk niet wat hij moest doen. Klein herkende hem.’Karspel!’ riep hij.

 

Parish shouldered his spade and came up to him. He still limped a little. They did not speak, just nodded as they used to do, passing in the lane; but now they walked about together, arm in arm. Without talking, Niggle and Parish agreed exactly where to make the small house and garden, which seemed to be required.

Karspel schouderde zijn schop en kwam naar hem toe. Hij hinkte nog altijd een beetje, ze spraken niet, ze knikten alleen, zoals ze vroeger altijd deden als ze elkaar in het laantje tegenkwamen. Maar nu liepen ze samen op, arm in arm. Zonder een woord te zeggen werden Klein en Karspel het volkomen eens over de plaats waar het huisje en de tuin moesten komen.

 

As they worked together, it became-plain that Niggle was now the better of the two at ordering his time and getting things done. Oddly enough, it was Niggle who became most absorbed in building and gardening, while Parish often wandered about looking at trees, and especially at the Tree.

Toen ze samen aan het werk gingen, werd het al heel gauw duidelijk dat Klein nu het beste wist hoe hij zijn tijd moest indelen en hoe de dingen gedaan moesten worden. Vreemd genoeg werd Klein nu geheel in beslag genomen door het bouwen en tuinieren, terwijl Karspel vaak naar de bomen liep te kijken, vooral naar de Boom.

 

One day Niggle was busy planting a quickset hedge, and Parish was lying on the grass near by, looking attentively at a beautiful and shapely little yellow flower growing in the green turf. Niggle had put a lot of them among the roots of his Tree long ago. Suddenly Parish looked up: his face was glistening in the sun, and he was smiling.

Op zekere dag was Klein druk bezig met het planten van een hagedoornheg terwijl Karspel naast hem in het gras lag en aandachtig keek naar een mooi, klein, geel bloempje dat op het groene gazon bloeide. Klein had er een heleboel tussen de wortels van de Boom gezet, lang geleden. Plotseling keek Karspel op. Zijn gezicht glansde in de zon en hij glimlachte.

 

"This is grand!" he said. "I oughtn't to be here, really. Thank you for putting in a word for me."

‘Dit is fantastisch!’ zei hij. ‘Ik hoor hier eigenlijk helemaal niet te zijn. Dank je wel dat je een goed woordje voor me hebt gedaan.’

 

"Nonsense," said Niggle. "I don't remember what I said, but anyway it was not nearly enough."

‘Onzin,’ zei Klein. ‘Ik weet niet meer wat ik gezegd heb, maar in elk geval was het niet half genoeg.

 

"Oh yes, it was," said Parish. "It got me out a lot sooner. That Second Voice, you know: he had me sent here; he said you had asked to see me. I owe it to you." "No. You owe it to the Second Voice," said Niggle. "We both do."’

‘O jawel,’ zei Karspel,’ik ben er een stuk vroeger door vrij gekomen. De Tweede Stem, begrijp je? Die heeft me hierheen gestuurd, hij zei dat jij me wou zien. Ik heb het aan jou te danken.’
‘Nee, je hebt het aan de Tweede Stem te danken,’ zei Klein. ‘Wij allebei.’

 

They went on living and working together: I do not know how long. It is no use denying that at first they occasionally disagreed, especially when they got tired. For at first they did sometimes get tired. They found that they had both been provided with tonics. Each bottle had the same label: A few drops to be taken in water from the Spring, before resting.

Ze werkten en woonden samen, ik weet niet hoe lang. Het heeft geen zin te verzwijgen dat ze in het begin nog wel eens woorden hadden, vooral als zij moe waren. Want in het begin werden ze soms moe. Ze ontdekten dat ze allebei een versterkende drank hadden meegekregen. Op beide flesjes stond hetzelfde: “Een paar druppels vermengen met water uit de Bron en drinken voor het te ruste gaan”.

 

They found the Spring in the heart of the Forest;

Zij vonden de bron in het hart van het Woud.

 

only once long ago had Niggle imagined it, but he had never drawn it. Now he perceived that it was the source of the lake that glimmered, far away and the nourishment of all that grew in the country. The few drops made the water astringent, rather bitter, but invigorating; and it cleared the head. After drinking they rested alone; and then they got up again and things went on merrily. At such times Niggle would think of wonderful new flowers and plants, and Parish always knew exactly how to set them and where they would do best. Long before the tonics were finished they had ceased to need them. Parish lost his limp.

Lang geleden had Klein haar eenmaal gezien, maar nooit geschilderd. Nu besefte hij dat zij de bronader was van het meer dat fonkelde in de verte en de voedingsbron van alles wat groeide in het land. De paar druppels maakten het water wrang en een beetje bitter, maar het was opwekkend en verhelderde het hoofd. Nadat zij gedronken hadden rustten zij en daarna stonden ze op en gingen vrolijk en vlug aan het werk. In zulke ogenblikken dacht Klein aan prachtige nieuwe bloemen en planten en Karspel wist altijd precies hoe hij ze moest poten en waar het het beste zouden doen. Lang voor de versterkende drank op was, hadden ze die al niet meer nodig. Karspel hinkte niet meer.

 

As their work drew to an end they allowed themselves more and more time for walking about, looking at the trees, and the flowers, and the lights and shapes, and the lie of the land. Sometimes they sang together; but Niggle found that he was now beginning to turn his eyes, more and more often, towards the Mountains.

Toen hun werk ten einde liep, gunden zij zich meer en meer tijd om rond te wandelen en naar de bomen te kijken en naar de bloemen en naar het licht en naar de vormen en naar de stand van zaken in het algemeen. Soms zongen ze samen, maar Klein ontdekte dat zijn ogen steeds vaker gericht waren op de Bergen.

 

The time came when the house in the hollow, the garden, the grass, the forest, the lake, and all the country was nearly complete, in its own proper fashion. The Great Tree was in full blossom.

De tijd kwam dat het huis in het dal, de tuin, het gras, het bos, het meer en het hele land bijna af was, precies zoals het moest zijn. De Grote Boom stond in volle bloei.

 

"We shall finish this evening," said Parish one day. "After that we will go for a really long walk."

‘Vanavond zijn we klaar,’ zei Karspel op zekere dag. ‘En daarna gaan we echt een lange wandeling maken.’

 

They set out next day, and they walked until they came right through the distances to the Edge. It was not visible, of course: there was no line, or fence, or wall; but they knew that they had come to the margin of that country. They saw a man, he looked like a shepherd; he was walking towards them, down the grass-slopes that led up into the Mountains.

De volgende dag gingen ze op weg en ze liepen tot ze door alle verten heen bij de Rand kwamen. Die was natuurlijk onzichtbaar, er was geen streep, of heg, of muur, maar zij wisten dat zij aan het einde van het land waren gekomen. Er stond een man, die eruitzag als een herder. Hij kwam naar hen toe over de glooiende grasvelden die naar de Bergen leidden.

 

"Do you want a guide?" he asked. "Do you-want to go on?"

‘Hebt u een gids nodig?’ vroeg hij. ‘Wilt u verder gaan?’

 

For a moment a shadow fell between Niggle and Parish, for Niggle knew that he did now want to go on, and (in a sense) ought to go on; but Parish did not want to go on, and was not yet ready to go.

Een ogenblik lang viel er een schaduw tussen Klein en Karspel, want Klein wist dat hij niet verder wilde, maar (in zekere zin) verder moest, en Karspel wilde niet verder gaan en was nog niet gereed om verder te gaan.

 

"I must wait for my wife," said Parish to Niggle. "She'd be lonely. I rather gathered that they would send her after me, some time or other, when she was ready, and when I had got things ready for her. The house is finished now, as well as we could make it; but I should like to show it to her. She'll be able to make it better, I expect: more homely. I hope she'll like this country, too."

‘Ik moet op mijn vrouw wachten,’zei Karspel tegen Klein. ‘Ze is eenzaam. Ik dacht eigenlijk dat ze haar wel naar mij toe zouden sturen, op de een of andere dag, als zij klaar zou zijn en ik hier klaar was voor haar. Het huis is nu af, zo goed als het ging, en ik zou het haar graag willen laten zien. Ik denk dat zij het beter kan maken, gezelliger. Ik hoop dat zij ook van dit land zal houden.

 

He turned to the shepherd. "Are you a guide?" he asked. "Could you tell me the name of this country?"

Hij wendde zich tot de herder. ‘Bent u een gids?’ vroeg hij. ‘Kunt u mij zeggen hoe dit land heet?’

 

"Don't you know?" said the man. "It is Niggle's Country. It is Niggle's Picture, or most of it: a little of it is now Parish's Garden."

‘Weet u dat dan niet?’’ vroeg de man. ‘Dit is Kleins Land. Het is Kleins Schilderij, het grootste gedeelte althans. Een klein stukje heet nu Karspels Tuin.’

 

"Niggle's Picture!" said Parish in astonishment. "Did you think of all this, Niggle? I never knew you were so clever. Why didn't you tell me?"

‘Kleins Schilderij!’ zei Karspel hogelijk verbaasd. ‘Heb jíj dit allemaal bedacht, Klein? Ik heb nooit geweten dat je zo knap was. Waarom heb je me dat niet verteld?’

 

"He tried to tell you long ago," said the man; "but you would not look. He had only got canvas and paint in those days, and you wanted to mend your roof with them. This is what you and your wife used to call Niggle's Nonsense, or That Daubing."

‘Hij probeerde het u te vertellen, lang geleden,’ zei de man, ‘maar u wou niet kijken. Hij had alleen linnen en verf in die dagen en u wilde uw dak ermee dichten. Dit hier noemden u en uw vrouw Kleins Nonsens of Dat Gekladder.’

 

"But it did not look like this then, not real," said Parish.

‘Maar het zag er toen niet zo uit als nu! Niet echt!’, zei Karspel.

 

"No, it was only a glimpse then," said the man; "but you might have caught the glimpse, if you had ever thought it worth while to try."

‘Nee, het was toen alleen maar een glimp,’ zei de man. ‘Maar u had de glimp kunnen opvangen als u de moeite had genomen het te proberen.’

 

"I did not give you much chance," said Niggle. "I never tried to explain. I used to call you Old Earth-grubber. But what does it matter? We have lived and worked together now. Things might have been different, but they could not have been better. All the same, I am afraid I shall have to be going on. We shall meet again, I expect: there must be many more things we can do together. Good-bye!" He shook Parish's hand warmly: a good, firm, honest hand it seemed. He turned and looked back for a moment. The blossom on the Great Tree was shining like flame. All the birds were flying in the air and singing. Then he smiled, and nodded to Parish, and went off with the shepherd.

‘Ik heb je niet veel kans gegeven,’ zei Klein. ‘Ik heb nooit een poging gedaan het uit te leggen. Ik noemde jou de ouwe Grondkrabber.  Maar wat doet het ertoe? We hebben nu samen gewoond en gewerkt. Alles had anders kunnen lopen maar niet beter. Maar ik ben toch bang dat ik verder zal moeten gaan. We komen elkaar nog wel eens tegen, denk ik, er zijn nog heel wat dingen die we samen kunnen doen. Adieu!’ Hij schudde Karspel hartelijk de hand, het was een goede, stevige, eerlijke handdruk. Hij keek even achterom. De bloesems aan de Grote Boom fonkelden als vuur. Alle vogels vlogen zingend door de lucht. Toen glimlachte hij, knikte tegen Karspel en ging weg met de hereder.

 

He was going to learn about sheep, and the high pasturages, and look at a wider sky, and walk ever further and further towards the Mountains, always uphill. Beyond that I cannot guess what became of him. Even little Niggle in his old home could glimpse the Mountains far away, and they got into the borders of his picture; but what they are really like, and what lies beyond them, only those can say who have climbed them.

Hij zou dingen leren over schapen en over hoge weidegronden en hij zou kijken naar een wijdere hemel en lopen naar de Bergen, verder en verder, steeds hoger. En daarna weet ik niet wat er van hem geworden is. Zelfs de kleine Klein in zijn oude huis kon een glimp opvangen van de Bergen in de verte en zij verschenen aan de randen van zijn schilderij. Maar hoe ze in werkelijkheid zijn en wat erachter ligt kunnen alleen zij vertellen die ze hebben beklommen.

 

 

 

"I think he was a silly little man," said Councillor Tompkins. "Worthless, in fact; no use to Society at all."

‘Ik vind dat hij een mal mannetje was,’ zei Raadslid Krommeling. ‘Waardeloos. Van generlei nut voor de Maatschappij.’

 

"Oh, I don't know," said Atkins, who was nobody of importance, just a schoolmaster. "I am not so sure: it depends on what you mean by use."

‘O, dat weet ik niet,’ zei Aaldering, die geen belangrijk man was, alleen maar een schoolmeester. ‘Ik ben er niet zo zeker van, het hangt ervan af wat je onder nut verstaat.’

 

"No practical or economic use," said Tompkins. "I dare say he could have been made into a serviceable cog of some sort, if you schoolmasters knew your business. But you don't, and so we get useless people of his sort. If I ran this country I should put him and his like to some job that they're fit for, washing dishes in a communal kitchen or something, and I should see that they did it properly. Or I would put them away. I should have put him away long ago."

‘Praktisch of economisch nut,’ zei Krommeling. ‘O, hij had best een bruikbaar radertje in de machine kunnen worden als jullie schoolmeesters je vak verstonden. Maar dat doen jullie niet en daarom krijgen we zulke waardeloze mensen. Als ik het voor het zeggen had in dit land, zou ik hem en zijn soortgenoten aan het werk zetten, ik zou ze borden laten wassen in de gaarkeuken of zoiets en ik zou er streng op toezien dat ze het behoorlijk deden. Of ik zou ze opruimen. Ik zou hem allang hebben opgeruimd.

 

"Put him away? You mean you'd have made him start on the journey before his time?"

‘Opgeruimd? Bedoel je dat je hem vóor zijn tijd op reis zou hebben gestuurd?’

 

"Yes, if you must use that meaningless old expression. Push him through the tunnel into the great Rubbish Heap: that's what I mean."

‘Ja, als je die zinlose frase met alle geweld wilt gebruiken. Ik zou hem door de tunnel naar de grote Vuilnishoop hebben geduwd, dat bedoel ik.’

 

"Then you don't think painting is worth anything, not worth preserving, or improving, or even making use of?"

‘Dus je vindt dat schilderen waardeloos is, niet de moeite waard om bewaard of verbeterd of zelfs gebruikt te worden?’

 

"Of course, painting has uses," said Tompkins. "But you couldn't make use of his painting. There is plenty of scope for bold young men not afraid of new ideas and new methods. None for this old-fashioned stuff. Private day-dreaming. He could not have designed a telling poster to save his life. Always fiddling with leaves and flowers. I asked him why, once. He said he thought they were pretty! Can you believe it? He said pretty! 'What, digestive and genital organs of plants?' I said to him; and he had nothing to answer. Silly footler."

‘Natuurlijk heeft schilderen zijn nut,’ zei Krommeling. ‘Maar zijn schilderen niet. Er moet ruimte zijn voor flinke jonge kerels, die niet bang zijn voor nieuwe ideeën en nieuwe methoden, dat spreekt vanzelf. Maar niet voor die ouderwetse rommel. Dagdromerij. Hij was absoluut niet in staat een rake affiche te ontwerpen, ook al hing zijn leven er vanaf. Hij zat altijd maar te frutselen met bladeren en bloemen. Ik vroeg hem eens waarom. Hij zei dat hij ze mooi vond! Is het niet ongelooflijk? Mooi zei hij! ‘Wat, die spijsverterings- en geslachtsorganen van planten?’ zei ik, en daar had hij geen antwoord op. Malle knoeier!’

 

"Footler," sighed Atkins. "Yes, poor little man, he never finished anything. Ah well, his canvases have been put to 'better uses,' since he went. But I am not sure, Tompkins. You remember that large one, the one they used to patch the damaged house next door to his, after the gales and floods? I found a corner of it torn off, lying in a field. It was damaged, but legible: a mountain-peak and a spray of leaves. I can't get it out of my mind."

‘Knoeier,’ zuchtte Aaldering. ‘Ja, hij heeft nooit iets afgemaakt, dat arme mannetje. Ach ja, zijn doeken zijn voor “Nuttiger Doeleinden” gebruikt toen hij weg was. Maar ik weet het nog zo net niet, Krommeling. Herinner je je dat grote schilderij nog waar ze het huis van zijn buren mee hebben opgelapt, na de storm en de overstroming? Ik heb er een afgescheurd stuk van gevonden, het lag in een weiland. Het was beschadigd, maar je kon nog wel zien wat het voorstelde: een bergtop en een twijg met bladeren. Ik kan het maar niet kwijtraken.’

 

"Out of your what?" said Tompkins.

‘Niet kwijtraken? Hoezo niet kwijtraken?’ vroeg Krommeling.

 

"Who are you two talking about?" said Perkins, intervening in the cause of peace: Atkins had flushed rather red.

‘Waar hebben jullie het over?’ vroeg Eldering, die het tijd vond om tussenbeide te komen, want Aaldering zag nu erg rood in zijn gezicht.

 

"The name's not worth repeating," said Tompkins. "I don't know why we are talking about him at all. He did not live in town."

‘De naam is niet waard om genoemd te worden,’ zei Krommeling. ‘Ik weet eigenlijk niet waarom we over hem praten. Hij woonde niet in deze stad.’

 

"No," said Atkins; "but you had your eye on his house, all the same. That is why you used to go and call, and sneer at him while drinking his tea. Well, you've got his house now, as well as the one in town, so you need not grudge him his name. We were talking about Niggle, if you want to know, Perkins."

Nee,’ zei Aaldering, ‘maar jij had wel een oogje op zijn huis. Daarom ging je bij hem op bezoek, daarom bespotte je hem terwijl je zijn thee dronk. Wel, zijn huis is nu van van jou en je hebt ook je huis in de stad, daarom hoef je hem zijn naam niet te misgunnen. We hadden het over Klein als je het graag wilt weten, Eldering.’

 

"Oh, poor little Niggle!" said Perkins. "Never knew he painted."

‘O, die arme Klein!’ zei Eldering. ‘Ik wist niet eens dat hij schilderde.’

 

That was probably the last time Niggle's name ever came up in conversation. However, Atkins preserved the odd corner. Most of it crumbled; but one beautiful leaf remained intact. Atkins had it framed. Later he left it to the Town Museum, and for a long while "Leaf: by Niggle" hung there in a recess, and was noticed by a few eyes. But eventually the Museum was burnt down, and the leaf, and Niggle, were entirely forgotten in his old country.

Het was waarschijnlijk de laatste maal dat Kleins naam in een gesprek werd genoemd. Maar Aalderink bewaarde het stukje schilderij. Het grootste gedeelte bladderde af, maar een mooi blad bleef intact. Aaldering liet het inlijsten. Later vermaakte hij het aan het Stedelijk Museum en lange tijd hing ‘Blad: van Klein’ ergens in een hoekje achteraf, waar het door slechts enkele ogen werd opgemerkt. Ten slotte brandde het museum echter af en werden het blad en Klein in zijn vroegere land volkomen vergeten.

 

 

 

"It is proving very useful indeed," said the Second Voice. "As a holiday, and a refreshment. It is splendid for convalescence; and not only for that, for many it is the best introduction to the Mountains. It works wonders in some cases. I am sending more and more there. They seldom have to come back."

‘Het is inderdaad zeer nuttig,’ zei de Tweede Stem. ‘Voor vakantie en recreatie. Het is uitnemend geschikt voor herstellende zieken en niet alleen voor hen. Voor velen is het de beste overgang naar de Bergen. In sommige gevallen doet het wonderen. Ik stuur er steeds meer naar toe. Ze behoeven slechts zelden terug te komen..’

 

"No, that is so," said the First Voice. "I think we shall have to give the region a name. What do you propose?"

‘Ja, dat is waar,’ zei de Eerste Stem. ‘Ik vind dat wij die streek een naam moeten geven. Wat stelt u voor?’

 

"The Porter settled that some time ago," said the Second Voice. "Train for Niggle's Parish in the bay: he has shouted that for a long while now. Niggle's Parish. I sent a message to both of them to tell them."

‘Daar heeft de Kruier allang voor gezorgd,’zei de Tweede Stem. “Trein voor Klein Karspel op het zijspoor,” dat roept hij al een hele tijd. Klein Karspel. Ik heb ze een boodschap gestuurd om het ze allebei te vertellen.

 

"What did they say?"

‘En wat zeiden ze?’

 

"They both laughed. Laughed-the Mountains rang with it!"

‘Ze lachten. Ze lachten dat de bergen ervan schalden.’

 

https://nl.wikipedia.org/wiki/Willy_Wielek-Berg

 

Elsa Groenman-Warmelink
e.warmelink@gmail.com

06-281 284 69

beëdigd tolk-vertaalster Engels
vertaalster Duits-Nederlands

 

Wil je reageren? Zie reactieformulier onderaan deze pagina. Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

 

Blog 87 – Leeftijdsverschil

 

In het tv-programma Boeken zag ik een tijdje geleden een vraaggesprek met Martine de Jong. Ze heeft een boek geschreven,  De Aanloopman.

De hoofdpersoon van het boek is een 51-jarige vrouw – weduwe – die in haar eentje in een huisje op het Groninger platteland woont.

 

Martine de Jong vertelde dat ze op een borrel bij een uitgeverij aan de schrijver Ronald Giphart verteld had dat haar nieuwe boek over een vrouw van begin 50 ging, en dat Ronald Giphart daarop minachtende geluiden had geproduceerd.
(Ronald Giphart, die blijkbaar niet weet hoe lelijk hij zelf is … .)

Ook de interviewster, Carolina Lo Galbo, leek wel te denken dat vrouwen boven de, zeg maar, 45 toch eigenlijk niet meer zo de moeite waarde waren.

Ze stelde in het begin althans een aantal ongelukkige vragen, waardoor het gesprek eerst wat moeizaam verliep. Ze leek enigszins geobsedeerd door de vermeende onzichtbaarheid van niet meer zo jonge vrouwen.

 

In het boek staat er een 15 jaar jongere man voor de deur van de 51-jarige vrouw. Toen hoorde ik Martine de Jong iets zeggen wat je anders nooit op de tv hoort, nl. dat er aan de binnenkant van iemand niets verandert als je ouder wordt. Je blijft gewoon dezelfde, al heb je meer meegemaakt dan toen je 20 was. En als je begin 20 bent, dan denk je dat iemand van begin 40 heel anders is.

Het wordt juist makkelijker als je als vrouw eenmaal een jaar of 40 bent, omdat je je minder aantrekt van de mening van anderen.

 

Precies hetzelfde heb ik eens gezegd – herinner ik me – toen ik ook begin 50 was en bij een kleine uitgeverij werkte. Ik was de oudste daar en tussen de middag aten de werknemers samen aan tafel en praatten we over van alles. De begin-twintigers dachten dat ze wel meer van seks zouden weten dan die saaie oude mensen. Daar moest ik echt om lachen.

Toen vroeg een van mijn jonge collega’s mij of ik dan nog wel aan seks deed. Blijkbaar had hij er nooit bij stilgestaan dat de relatie tussen zijn ouders, waarschijnlijk van mijn leeftijd, ook wel eens een seksueel aspect zou kunnen hebben.

 

Mijn zoon Dolf heeft al tien jaar een relatie met een 18 jaar oudere vrouw. Mijn zoon Louis heeft een vriendin die ongeveer 14 jaar jonger is. En de vriendin van mijn zoon Nelson is ongeveer 9 jaar jonger dan hij. Huisgenoot W. is 8 jaar ouder dan ik.


Je kiest een partner om de persoon die hij/zij is, als iemand – niet als een ouder of een jonger iemand. Dat dat consequenties kan hebben als je allebei ouder wordt, neem je op de koop toe.

Ook als je een partner hebt van je eigen leeftijd, weet je niet wat het leven voor je in petto heeft.

 

I've got a couple more years on you, babe, that's all.
I've had more chances to fly and more places to fall.
And it ain't that I'm wiser - it's only that I've spent
more time with my back to the wall.

And I picked up a couple more years on you babe, that’s all.

https://www.youtube.com/watch?v=dbkWkHlVRaA&start_radio=1&list=RDdbkWkHlVRaA&t=31 
(sla de advertentie over!)

https://www.gezondheidsnet.nl/relatieproblemen/overbrugt-liefde-leeftijdsverschillen

 

Elsa Groenman-Warmelink
e.warmelink@gmail.com

06-281 284 69

beëdigd tolk-vertaalster Engels
vertaalster Duits-Nederlands

 

Wil je reageren? Zie reactieformulier onderaan deze pagina. Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

 

Blog 88 – Winkelen

 

Regelmatig lees je dat vrouwen zo van winkelen houden. Nou, ik niet, hoor.

Ik zie ertegenop als ik een kledingstuk of huishoudelijk artikel moet kopen. Ik moet me ertoe zetten om daarvoor de deur uit te gaan. Waarschijnlijk ben ik geen echte vrouw.

 

Het wordt pas leuk als je snel slaagt in de winkel.
Ik ging bijvoorbeeld naar een lingeriezaak voor een duster – of moderner: ochtendjas – omdat ik binnenkort elke week een dag op mijn kleindochter van (nu) twee maand ga passen (zie blog 63) en mijn ochtendjas niet altijd heen en weer wil slepen.
En ook omdat mijn ouwe duster al zeker 15 jaar oud is.


Voorin de winkel hingen wat afgeprijsde dusters. Ze waren allemaal van polyester. Dat heeft niet mijn voorkeur, maar ik vond er toch eentje die me paste, aangeboden werd voor de helft van de prijs en me goed stond.

Ik ging naar de kassa en vroeg of dit de enige dusters waren. “Nee,” zei de verkoopster, “op de verhoging daar staat de nieuwe collectie”. Die wilde ik dan ook nog wel bekijken.

 

Ze waren natuurlijk wel bijna drie keer zo duur, maar er waren een paar van katoen van hetzelfde merk als het polyester exemplaar die me ook goed pasten en stonden.

Ik koos er een uit – lichtgrijs, net als de polyester duster – en besloot ze allebei te houden.

De drie dames achter de kassa keken me wel een beetje vreemd aan, maar dat is mijn probleem niet.


Geslaagd dus! De katoenen ochtendjas breng ik naar Groningen en het polyester exemplaar houd ik thuis als reserve.
Lekker snel klaar.

 

Op de terugweg zag ik in een andere winkel sterk afgeprijsde herentruien op een rek hangen. Ik zocht twee truien uit voor huisgenoot W. en vroeg aan de verkoopster of ik ze mocht terugbrengen als ze niet pasten. “Ik kan mijn man zo moeilijk meekrijgen”, zei ik, naar waarheid.

Tot mijn verrassing vond ze dat goed. Ik hoefde ze niet eens meteen te betalen, alleen naam, adres en telefoonnummer achter te laten. Wat een service! En wat ging alles lekker vlot.

Dat is nog eens klantenbinding.

 

Online winkelen
Ja, ik weet dat je op Internet ook kleren kunt kopen zonder te betalen en dat je ze kunt terugsturen als ze niet naar wens zijn. Maar dan kun je ze niet van tevoren echt goed bekijken, je krijgt allerlei overbodig verpakkingsmateriaal thuisbezorgd en als je ze wilt terugsturen, moet je de spullen weer uitgebreid en netjes inpakken – als je tenminste netjes bent opgevoed.

 

Als je naar een ‘gewone winkel’ gaat, werk je bovendien niet mee aan de niet bepaald medewerkervriendelijke arbeidsomstandigheden in de distributiecentra van veel online winkels.

Zie https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/hoe-is-het-om-te-werken-in-het-distributiecentrum-van-bol-com-journalist-jeroen-van-bergeijk-maakte-het-mee~b18a9510/

 

Toekomst
Zou goederen op zicht mee naar huis nemen en later terugbrengen of achteraf betalen de nieuwe trend zijn in de detailhandel? Zou dat de manier zijn voor ‘fysieke winkels’ om te overleven?

 

Elsa Groenman-Warmelink
e.warmelink@gmail.com

06-281 284 69

beëdigd tolk-vertaalster Engels
vertaalster Duits-Nederlands

 

Wil je reageren? Zie reactieformulier onderaan deze pagina. Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

 

Blog 89 - Liedjes met een verhaal

 

Socialmediagoeroes vertellen ons tegenwoordig allemaal dat je een verhaal moet vertellen als je effectief wilt zijn op sociale media. Omdat ik van schrijven houd, schrijf ik blogs, maar dat zijn niet altijd echte verhalen.


Emoties

Als het goed is, roept een verhaal namelijk een emotie op. Elk verhaal heeft betrekking op het heden, het verleden of de toekomst en we voelen we ons daar goed of slecht over.

Als we ons goed voelen over het verleden, voelen we nostalgie.
Als we ons goed voelen over de toekomst, voelen we hoop.
Als we ons slecht voelen over het verleden, voelen we verdriet.
En als we ons slecht voelen over de toekomst, voelen we angst.

 

Elk verhaal gaat ook over verandering.  De verandering is het verhaal. En het gaat erom wat je voelt bij het verhaal.


Toen huisgenoot W. op YouTube Living next door to Alice aan het afspelen was, bedacht ik opeens dat sommige leuke liedjes ook een verhaal vertellen. Zoals dat liedje dus.

 

Kijk en luister maar eens.

Living Next Door To Alice (Smokie) 1972

Sally called when she got the word
And she said: "I suppose you've heard
About Alice"
When I rushed to the window
And I looked outside
And I could hardly believe my eyes
As a big limousine rolled up
Into Alice's drive...

Oh, I don't know why she's leaving
Or where she's gonna go
I guess she's got her reasons
But I just don't want to know
'Cos for twenty-four years
I've been living next door to Alice
Twenty-four years just waiting for a chance
To tell her how I feel, and maybe get a second glance
Now I've got to get used to not living next door to Alice...

We grew up together
Two kids in the park
We carved our initials
Deep in the bark
Me and Alice
Now she walks through the door
With her head held high
Just for a moment, I caught her eye
As a big limousine pulled slowly
Out of Alice's drive

Oh, I don't know why she's leaving
Or where she's gonna go
I guess she's got her reasons
But I just don't want to know
'Cos for twenty-four years
I've been living next door to Alice
Twenty-four years just waiting for a chance
To tell her how I feel, and maybe get a second glance
Now I gotta get used to not living next door to Alice...

And Sally called back and asked how I felt
And she said: "I know how to help
Get over Alice"
She said: "Now Alice is gone
But I'm still here
You know I've been waiting
For twenty-four years..."
And a big limousine disappeared...

I don't know why she's leaving
Or where she's gonna go
I guess she's got her reasons
But I just don't want to know
'Cos for twenty-four years
I've been living next door to Alice
Twenty-four years just waiting for a chance
To tell her how I feel, and maybe get a second glance
But I'll never get used to not living next door to Alice...

No, I'll never get used to not living next door to Alice...

 

https://www.youtube.com/watch?v=Z6qnRS36EgE


Vooral de zanger van Smokie, Chris Norman, werd bekend door dit liedje.


De inspiratiebron voor Living next door to Alice was volgens de schrijver van het liedje het nummer Sylvia’s Mother, geschreven door Shel Silverstein.


Shel Silverstein
In Sylvia’s Mother wordt een soortgelijk verhaal verteld als in Living next door to Alice.

Shel Silverstein schreef veel muziek voor de band Dr. Hook & the Medicine Show, maar ook voor anderen.

 

Sylvia’s mother (Dr. Hook) 1972

Sylvia's mother says Sylvia's busy, too busy to come to the phone
Sylvia's mother says Sylvia's tryin' to start a new life of her own
Sylvia's mother says Sylvia's happy so why don't you leave her alone
And the operator says forty cents more for the next three minutes

Please Mrs. Avery, I just gotta talk to her,
I'll only keep her a while
Please Mrs. Avery, I just wanna tell her goodbye

Sylvia's mother says Sylvia's packin' she's gonna be leavin' today
Sylvia's mother says Sylvia's marryin' a fella down Galveston way
Sylvia's mother says please don't say nothin' to make her start cryin' and stay
And the operator says forty cents more for the next three minutes

Please Mrs. Avery, I just gotta talk to her,
I'll only keep her a while
Please Mrs. Avery, I just wanna tell her goodbye

Sylvia's mother says Sylvia's hurryin' she's catchin' the nine o'clock train
Sylvia's mother says take your umbrella cause Sylvie, it's startin' to rain
And Sylvia's mother says thank you for callin' and sir won't you call back again
And the operator says forty cents more for the next three minutes

Please Mrs. Avery, I just gotta talk to her,
I'll only keep her a while
Please Mrs. Avery, I just wanna tell her goodbye

Tell her goodbye...
Please... Tell her goodbye..

https://www.youtube.com/watch?v=UPrixYOTNHw (sla de advertenties over!)

Silverstein was ook de schrijver van het liedje A boy named Sue, gezongen door Johnny Cash, …

https://www.youtube.com/watch?v=WOHPuY88Ry4

https://www.lyricsfreak.com/j/johnny+cash/a+boy+named+sue_20164162.html (tekst)

 

… en van One’s on the way, gezongen door Loretta Lynn, in haar Redneck-accent, over de opkomende vrouwenemancipatie in het begin van de jaren 70.

 

https://www.youtube.com/watch?v=HAEzfdBMN5k of
https://www.youtube.com/watch?v=5So02Fk6cbU (in The Muppets Show)

 

 

Ludduvuddu
Je ziet dat in het begin van zulke verhalende liedjes vaak verteld wordt wat een bekende/vriend/familielid gezegd of gedaan heeft:

Sally called …”, “Sylvia's mother says …” en “My daddy left home when …”.


Maar One’s on the way begint met het algemene ”They say …”, en er wordt verwezen naar allerlei beroemde (andere) vrouwen, zoals Liz (actrice Elisabeth Taylor), (presidentsvrouw) Jackie (Kennedy) en (seksbom) Raquel Welch.


Je begrijpt uiteindelijk wel dat het hier om een jonge vrouw in de beginjaren 70 gaat die ziet dat voor vrouwen de hele wereld verandert behalve voor haarzelf.  “Here in Topeka” krijgt zij gewoon het ene kind na het andere. Toch wekt de uitvoering alleen maar hilariteit op, geen emotie.

Oh gee, I hope it ain’t twins again


Humoristisch?
In het Wikipedia-artikel op Internet over One’s on the way noemt een schrijver van countrymuziek het lied een humorous piece on motherhood.
https://en.wikipedia.org/wiki/One%27s_on_the_Way

 

They say to have her hair done, Liz flies all the way to France,
And Jackie's seen in a discoth'eque doin' a brand new dance.
And the White House social season should be glittering and gay.
But here in Topeka, the rain is a fallin'
The faucet is a drippin' and the kids are a bawlin'
One of 'em a-toddlin and one is a crawlin':
And, one's on the way.

I'm glad that Raquel Welch just signed a million dollar pact,
And Debbie's out in Vegas workin' up a brand new act.
While the TV's showin' Newlywed's, a real fun game to play;
But here in Topeka, the screen door's a bangin'
The coffee's boilin' over and the worsh needs a hangin'
One want a cookie and one wants a changin'
And, one's on the way.

 

Now what was I doin'?
Jimmy get away from there.
Darn, there goes the phone.
Hello honey. What's that you say?
You're bringin' a few ole army buddies home?
You're callin' from a bar?
Get away from there.
No, not you honey, I was talking to the baby.
Wait a minute, honey, the door bell.
Honey, could you stop by the market and...
Hello?
Hello?
Well I'll be.

 

The girls in New York City, they all march for women's lib.
And better homes and garden shows, the modern way to live.
And the pill may change the world tomorrow, but meanwhile, today.
Here in Topeka, the flies are a buzzin'
The dog is a barkin' and the floor needs a scrubbin'
One needs a spankin' and one needs a huggin'
Lord, one's on the way.

Oh gee, I hope it ain't twins again.



Het lijkt mij dat het liedje toch niet alleen maar ‘humorous’ is!


Waarschijnlijk mocht je in het begin van de jaren 70 in Amerika de achtergebleven positie van vrouwen – en waarschijnlijk ook grote klasse- en inkomensverschillen –  niet als een echt probleem zien.


Ludduvuddu van een jonge man was dat natuurlijk wel. Zou het daardoor komen dat Sylvia’s Mother en Living next door to Alice ons meer emotioneren dan One’s on the way?

 

Elsa Groenman-Warmelink
e.warmelink@gmail.com

06-281 284 69

beëdigd tolk-vertaalster Engels
vertaalster Duits-Nederlands

 

Wil je reageren? Zie reactieformulier onderaan deze pagina. Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

 

Blog 90 – Missers in de gezondheidszorg

 

Terecht of ten onrechte ben ik nogal sceptisch over de medische wetenschap. Dat klinkt zuur, maar er worden toch echt veel fouten gemaakt.

Dan heb ik het niet over operaties die bijna altijd goed gaan, zoals staar- of heupoperaties, of over medicijnen die – voor zover ik weet – een bewezen werking hebben en geen of nauwelijks vervelende bijwerkingen, zoals metformine bij suikerziekte, maar wel over het verkeerd voorschrijven van medicijnen of het verkeerd of onterecht uitvoeren van operaties.

 

Voorbeelden uit mijn eigen omgeving
Sinds een jaar of vijf gebruik ik één keer per dag een pijnstiller (met maagzuurremmer). De laatste jaren had ik steeds meer last van een verstopte neus en keel. Ik was er een paar keer voor naar de huisarts geweest, maar die kon niets vinden.

Ik begon me echt een oude zeur te voelen, maar door toevallige bestudering van de bijsluiter van de pijnstiller (Celecoxib) kwam ik erachter dat de stof daarin wel eens de oorzaak zou kunnen zijn. Dat klopte.
Ik neem de pijnstiller nu om de dag en de klachten zijn bijna verdwenen. Maar ik moest het dus wel zelf ontdekken.

 

Bij een tante van mij is jarenlang niet ontdekt dat ze eierstokkanker had. Elke keer dat ze buikklachten had, werd haar door de artsen verteld dat haar niets mankeerde en dat ze maar een maagzuurremmer moest nemen.
Toen het tien jaar geleden wel ontdekt werd, was er niets meer aan te doen. Bij de operatie werd de buik onverrichterzake weer dichtgenaaid.

Wel werden twee dagen voor haar dood haar onderbenen nog geamputeerd omdat ze gangreen (koudvuur) had. ‘Waar was dat nog voor nodig?’, denk ik dan.

 

Een goede vriend had een te snel werkende schildklier. Hij werd eraan geopereerd, maar daarbij werd te veel weggesneden. Daardoor ging de schildklier dus te langzaam werken en moest hij levenslang medicijnen slikken. (Ik moet er wel bij vertellen dat dit al tientallen jaren geleden is).

 

Na een verkeersongeluk waarbij mijn linker enkel was gebroken, werden de botten zo ondeskundig aan elkaar gezet dat mijn enkel nog steeds stijf is. Dit is trouwens ook al lang geleden.

 

Bij een goede vriendin werd pas na maandenlange klachten de diagnose longvliesontsteking gesteld. De behandelende specialist had maar liefst drie operaties nodig om de diagnose te kunnen stellen en slaagde er ook nog in om tijdens de operatie een klaplong te veroorzaken. Dat hoorde mijn vriendin trouwens pas achteraf.
Ze heeft een lelijk litteken en is nog steeds niet van de klachten af. Ze heeft nog steeds vocht bij de longen en heeft te horen gekregen dat er toch een onderliggende ziekte, zoals reuma, een andere auto-immuunziekte of een tumor moet zijn.
Alleen is die onderliggende ziekte nog steeds niet gevonden, na zo’n driekwart jaar.

Hoe is dat mogelijk, vraag ik me af. Onze vriendin vraagt zich dat misschien niet eens af. Die is langzamerhand alleen maar murw. Als patiënt sta je machteloos in dit soort zaken.

 

De moeder van mijn kapster heeft in haar leven zoveel medicijnen geslikt, dat ze nu bijna niet meer kan lopen. Wiens schuld is dat? Komt dat doordat ze zo vaak naar de dokter is gegaan met allerlei klachten? Of doordat de dokter haar dan maar allerlei medicijnen gaf om ervan af te zijn?

 

Toen mijn tweelingzus Rina en ik geboren werden had onze moeder niet genoeg borstvoeding, dus moest er bijgevoerd worden. Dat mocht volgens de medische mores van die tijd niet met een flesje, nee, dat moest met een lepeltje. Vooral ik wilde dat niet; ik duwde alles weer terug met mijn tong.

Mijn moeder werd daar natuurlijk helemaal wanhopig van.

Ondanks de tegenwerking van de wijkzuster, mocht ze van de huisarts uiteindelijk dan toch flesjes gebruiken. Deze hele toestand zal niet bevorderlijk zijn geweest voor de relatie tussen moeder en kind/kinderen.

 

Nog in de jaren 60 werd, ook door medici, het gevaar van asbest ontkend. Ook MS (multiple sclerose) werd afgedaan als ‘tussen de oren”.

 

Tegenwoordig worden in de medische wereld veel implantaten geplaatst waarvan het niet zeker is of ze negatieve effecten hebben en/of gewoon ondeugdelijk zijn.
Denk daarbij aan hartkleppen, borstimplantaten met siliconen, kunstheupen, bekkenbodemmatjes en pacemakers.

Bij mijn zwager was de ingebrachte pacemaker helemaal naar de oksel verschoven. Dat was van de buitenkant ook duidelijk te zien. Wie zegt mij dat er geen ondeugdelijke draden in die pacemaker zaten?
Een paar maanden later was hij dood.

Sinds 2017 is er trouwens een officieel ‘Meldpunt bijwerkingen Implantaten’. Het is een initiatief van het RIVM en bijwerkingencentrum Lareb.

 

Veel specialisten kijken niet verder dan hun eigen neus/vakgebied lang is. Pas geleden las ik in de krant nog het verhaal van Maartje van Winkel, een meisje met ‘vage klachten’ dat jarenlang door medici werd afgescheept – en verwezen naar de psychiater – tot ze in 2004 zo ziek was dat ze niet meer kon genezen.
Wel vroeg ze de minister van Vreemdelingenzaken om een klasgenote van haar, de Afghaanse asielzoekster Derakshan, een verblijfsvergunning te geven. Derakshan zou haar plaats kunnen innemen, en heeft dat ook gedaan. Ze is nu arts.

https://www.volkskrant.nl/kijkverder/v/2018/leven-in-de-plaats-van-maartje/

 

Ten slotte de psychiatrie. Ook daar wordt vaak maar wat geprobeerd, ten koste van de patiënt. Een voorbeeld lijkt me Zyprexa. Dat is een middel tegen psychoses, dat naar mijn mening te pas en te onpas is en wordt voorgeschreven, ook bij depressies, tics, autisme en Alzheimer. En de enige die daarvan profiteert is de fabrikant.

Sommige voorgeschreven middelen tegen depressie zijn zelfs ronduit gevaarlijk, zoals Seroxat.

 

Conclusie
Natuurlijk
worden er soms spectaculaire operaties verricht. Natuurlijk zijn er heel veel goede artsen die alleen het beste met hun patiënten voorhebben.  Natuurlijk worden er ook goede medicijnen en therapieën uitgevonden.

En toch moet de klant met gezondheidsklachten altijd maar afwachten of de aangeboden therapie hem/haar goed of kwaad zal doen. En daarom moet die klant altijd kritisch blijven.


Onze vriendin heeft nu een second opinion aangevraagd. Maar eens afwachten wat daar uitkomt!

 

Elsa Groenman-Warmelink
e.warmelink@gmail.com

06-281 284 69

beëdigd tolk-vertaalster Engels
vertaalster Duits-Nederlands

 

Wil je reageren? Dan is het handig om het nummer van het blog waarop je reageert in je bericht te vermelden. 
Zie reactieformulier onderaan deze pagina. Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Reactie plaatsen

Reacties

Anke
4 maanden geleden

Hallo Elsa,

Ik heb het blog 87 'Taalergernissen' gelezen. Inderdaad, irritant, maar intussen wel vermakelijk.

Vanmiddag hoorde ik in het programma 'Na het nieuws' iemand zeggen "Je kunt niet zeggen op het moment dat je een deal wilt closen, ja ik ben vandaag vrij, dus dat komt volgende week wel."

Weer iets geleerd.

Ik ga deze mail nu closen.

Hartelijke groet, ook aan mijn broer.

Anke

Elsa
4 maanden geleden

Dank voor je reactie, Anke. Ja, ik sta ook vaak versteld van het koeterwaals dat je op radio en tv voorbij hoort komen. Op Wikipedia zie ik staan:

"Het eerste gebruik van het woord koeterwaals werd gevonden in een schrijven van Bredero.

Hij roept uit: 'O vreemde Hovaardy! die ons eyghen Lantingeboren een Revelduytsch, een krom-tongh en een Koeter-waal maackt!', wat slaat op het gebruik van niet-'Duytsche' woorden."

"Het woord koeterwaals is afgeleid van het Duitse 'Kauderwelsch'. De etymologie daarvan is niet zeker; mogelijk is het een verbastering van 'Churer Welsch', dat wil zeggen, de in Chur gesproken Romaanse taal. 'Welsch' (in België Waals) was de algemene term voor een Romaanse taal; in Chur is dat het Reto-Romaans. De term verwijst dus waarschijnlijk niet naar het Waals dat in een deel van Franstalig België gesproken wordt."

Selma Jansen
6 maanden geleden

inteligent stukje.Ik snap aleen niet waarom de verkoopsters raar keeken toe jij twee dusters kogt.

Elsa
6 maanden geleden

Hoi Selma. Nou, ze keken me raar aan omdat ik twee ochtendjassen kocht: één goedkope en één die drie keer zo duur was!

Bert
6 maanden geleden

Allemaal waar, en Waylon Jennings prachtig, maar er zijn geloof ik grenzen. Volgens Rudi Kousbroek: de helft plus zeven. Dus: de leeftijd van je partner mag niet lager zijn dan de helft aan je eigen leeftijd plus zeven; of omgekeerd. Anders is het pedofilie of belachelijk, of allebei.

Elsa Groenman-Warmelink
6 maanden geleden

Hallo Bert, dank voor je reactie. Je hebt natuurlijk gelijk dat er grenzen zijn. Ik had volwassen, gelijkwaardige mensen in mijn hoofd en manipulatie of dwang moet uiteraard uitgesloten zijn!